“Laat je meevoeren in het gebruik, de geschiedenis en de magie van de flora tijdens een wandeling van circa 3,5 kilometer. Proef van het lekkers dat wilde planten ons al eeuwen geven.” Dit lazen we op de uitnodiging van Katrien Cattoor – hart en ziel …
Op 15 augustus, het feest van Onze-Lieve-Vrouw-Tenhemelopneming, vindt in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Damme jaarlijks de ‘Cruydenwijdinghe’ plaats. Als iemand die zich al jarenlang verdiept in wilde planten en de verhalen, gebruiken en tradities die ermee samenhangen, spreekt deze bijzondere viering mij bijzonder aan. Hier komen immers twee werelden samen …
Ik houd van het bouwverlof – het bouwvak voor de Nederlanders. Niet om de stilstaande steigers of de zwijgende betonmolens — daar kan ik prima zonder. Ik hou ervan omdat de natuur, zodra de laatste bouwvakker de poort achter zich dichttrekt, meteen aan de slag gaat. De mens gaat met verlof, de plant gaat aan het werk!
Geen gedreun, geen gedender, geen geraas en geblaas. Er wordt niet verder aan de weg getimmerd. Waar straks een lint vers asfalt overheen rolt, ligt nu nog braakliggende grond — precies lang genoeg voor de plantenwereld om zoete wraak te nemen.
Doornappel schiet groot en een tikkeltje dreigend uit de grond. Niet meteen een plant waar je met je blote handen aan wilt zitten: hij is door en door giftig. Postelein blijft laag bij de grond en groeit intussen vrolijk zijn vlezige blaadjes bij elkaar.
Europese hanenpoot is er als de kippen bij en melganzevoet vult alle gaatjes zonder dat iemand het heeft uitgenodigd. Groene amarant en bijvoet trekken zich niets aan van de hitte en groeien er juist harder om. Hoge fijnstraal torent, zoals gewoonlijk, met kop en schouders boven de rest uit. Grote zandkool en bezemkruiskruid — laatstgenoemde met wortels die tot in Zuid-Afrika reiken — doen of ze hier al eeuwen wonen, en bloeien er vrijmoedig op los.
De meeste planten zoals postelein, melganzenvoet, groene amarant, bezemkruiskruid en bijvoet zijn echte zonneaanbidders die niet verlegen zitten om een graadje meer. Ze vinden deze hete zomer best OK
Het duurt hooguit enkele weken. Dan komt de eerste vrachtwagen alweer aangereden, de eerste steiger weer overeind, en wordt het feestje op de bouwwerf voorlopig afgelast. Maar zolang het duurt, mag alles wat er straks niet meer mag: groeien, bloeien, wortelen, woekeren. Dát is waarom ik van bouwverlof houd.
En omdat ik zelf ook met vakantie ben, sprong ik op de fiets. Met de fiets kom je nu eenmaal op plekken waar je met de wagen nooit raakt. Je rijdt een beetje doelloos langs de stadsrand en voor je het weet, verdwaal je — onverwachts en ongevraagd, maar des te leuker — op een bouwwerf. Klik op de afbeeldingen om een groter formaat te bekijken.
Doornappel (Datura stramonium)
Doornappel (Datura stramonium)
De doornappel (Datura stramonium) is een opvallende verschijning die zich als echte pionierplant snel vestigt op open, stikstofrijke gronden. Je komt deze warmteliefhebbende soort uit de nachtschadefamilie vooral tegen op omgewerkte terreinen, braakliggende akkers, composthopen en stadsruderale plekken.
Hoewel de grote, witte trechterbloemen en de stekelige doosvruchten een sierlijke indruk maken, vraagt de plant om grote voorzichtigheid. Elk onderdeel van de doornappel is namelijk extreem giftig. De aanwezige alkaloïden kunnen al bij minimale inname leiden tot ernstige hallucinaties, verwarring, hartritmestoornissen en zelfs een fatale afloop. Toch een fascinerend stukje ruige stadsnatuur, maar eentje om uitsluitend van op afstand te bewonderen.
Postelein (Portulaca oleracea)
Postelein (Portulaca oleracea)
De postelein (Portulaca oleracea) is een kruipende, vetplantachtige eenjarige die zich als uitgesproken pionier vestigt op open, stikstofrijke en zonovergoten gronden. Je vindt deze warmteliefhebbende soort veelvuldig op omgewerkte akkers, in moestuinen, tussen straatplaveisel en op braakliggende stadsplekken.
In tegenstelling tot giftige stadsplanten is postelein niet alleen volstrekt ongevaarlijk, maar zelfs een smakelijke en uiterst gezonde bladgroente. De dikke, vlezige blaadjes en roodachtige stengels hebben een frisse, licht zoutige en zurige smaak. Ze zitten boordevol omega 3-vetzuren, vitaminen en mineralen. Een dankbaar, eetbaar plantje dat moeiteloos standhoudt op droge en voedselrijke bodems.
Europese hanenpoot (Echinochloa crus-galli)
Europese hanenpoot (Echinochloa crus-galli)
De Europese hanenpoot (Echinochloa crus-galli) is een robuust, eenjarig gras en een schoolvoorbeeld van een pionierplant. Deze warmteliefhebbende soort vestigt zich als eerste op open, omgewerkte en stikstofrijke gronden. Je komt hem dan ook veelvuldig tegen op ruderale stadsplekken.
Hoewel de plant op zichzelf niet giftig is voor mens en dier, kan hij bij overmatige bemesting grote hoeveelheden nitraten uit de bodem ophopen. Dankzij zijn snelkiemende zaden en krachtige groei is het een typische, sterke bewoner van verstoorde bodems.
Groene amarant (Amaranthus viridis)
groene amarant (Amaranthus viridis)
De groene amarant (Amaranthus viridis) is een opgaande, eenjarige plant die als pionier erg snel verstoorde terreinen koloniseert. De soort gedijt optimaal op zonnige locaties met een stikstofrijke bodem en is veelvuldig te vinden op omgewerkte akkers, in moestuinen, op composthopen en tussen stadsplaveisel.
De bloei is kenmerkend discreet: vanaf de zomer tot in de herfst verschijnen er compacte, groenachtige bloemaren aan het uiteinde van de stengels en in de bladoksels. De piepkleine, onopvallende bloemen missen kroonbladeren en worden voornamelijk door de wind bestoven.
Over de giftigheid bestaat weinig twijfel: de plant is op zichzelf ongevaarlijk en zelfs eetbaar. De jonge bladeren worden wereldwijd als bladgroente gegeten.
Melganzenvoet (Chenopodium album)
melganzenvoet (Chenopodium album)
De melganzenvoet (Chenopodium album) is een opgaande, eenjarige plant en een uitgesproken pionier die omgewerkte gronden razendsnel koloniseert. Deze soort heeft een grote voorkeur voor zonnige locaties met een zeer stikstof- en voedselrijke bodem. Je komt hem dan ook overal tegen op akkers, composthopen, braakliggende terreinen en op ruderale stadsplekken.
De bloei is subtiel maar massaal: van juni tot de herfst vormt de plant dichte, meelachtig behaarde bloemtuilen aan de stengeltoppen en in de bladoksels. De piepkleine, groenachtige bloemen hebben geen opvallende kroonbladeren en worden door de wind bestoven.
De jonge bladeren zijn eetbaar en voedzaam voor de mens, maar de plant bevat oxaalzuur en kan op overbemeste gronden veel nitraten ophopen, wat bij grote opname schadelijk is voor vee. Een onverwoestbare, meelachtig bepoederde bewoner van verstoorde bodems.
Bijvoet (Artemisia vulgaris)
bijvoet (Artemisia vulgaris)
De bijvoet (Artemisia vulgaris) is een opgaande, meerjarige plant en een ijzersterke pionier die verstoorde grond razendsnel inneemt. De soort voelt zich thuis op zonnige tot licht beschaduwde plekken en is veelvuldig te vinden langs wegbermen, ruderale stadsplekken en braakliggende terreinen.
Van juli tot september verschijnen er talrijke, pluimvormige bloemaren met hele kleine, geelbruine tot roodachtige bloemhoofdjes. De bloemen hebben geen opvallende lintbloemen en vallen vooral op door hun grote hoeveelheden vluchtig stuifmeel, wat bij veel mensen hooikoorts veroorzaakt.
De plant is niet strikt giftig en heeft een lange geschiedenis als aromatisch keukenkruid en volksgeneesmiddel, maar bevat wel etherische oliën (zoals thujon) die in grote hoeveelheden schadelijk zijn. Een robuuste, aromatische bewoner van de ruige stadsnatuur.
Wie goed kijkt naar de voegen van stoepen, parkeerplaatsen of moestuinen, ontdekt soms een laag groeiend plantje met vlezige, glanzende blaadjes en roodachtige stengels. Op het eerste gezicht lijkt het een onooglijk onkruid, maar schijn bedriegt. Gewone postelein (Portulaca oleracea) behoort tot de oudste bladgroenten die de mens …
Op Stadsplanten.be vindt u heel wat informatie over wilde planten die in en rond de stad groeien. Maar hoe vindt u snel wat u zoekt? Er zijn verschillende manieren om door de website te bladeren. Via het hoofdmenu Bovenaan de website vindt u het hoofdmenu. De informatie …
Plantennamen zijn vaak meer dan louter beschrijvende etiketten. Achter heel wat botanische namen schuilt een oud verhaal, waarin waarneming, volkskennis en mythologie met elkaar verweven zijn. In de klassieke traditie werden planten geregeld verbonden met goden en helden, waarbij hun vermeende geneeskracht een plaats kreeg in een groter, symbolisch verhaal. Zo ontstaat een boeiende laag van betekenis die verder reikt dan de plant zelf en die eeuwenoude ideeën over natuur en genezing weerspiegelt. Zo ook bij duizendblad (Achillea millefolium).
De Latijnse soortnaam millefolium is tweeledig en komt van het Latijnse mille, wat “duizend” betekent, en folium, wat “blad” betekent. Dit alles omdat het blad van deze plant veerdelig is en uit wel duizend kleine blaadjes lijkt te bestaan.
De botanische naam Achillea is rechtstreeks ontleend aan de Griekse mythologie. Ze verwijst naar Achilles, de held uit de Ilias van Homerus. Volgens de overlevering gebruikte Achilles deze plant om de wonden van zijn soldaten te behandelen tijdens de Trojaanse oorlog. Achillea kreeg dus die naam vanwege de vermeende wondhelende eigenschappen van de plant.
We citeren Rembert Dodoens (1517–1585)
“Dit cruyt heeft sijnen naem Achillea naer den edelen ende seer vromen Ridder Achilles dyens historie ende feyten van Homerus bescreven sijn. Die dit cruyt van Chiron Centaurus hem ierst gheweesen ende gheleert/ seer ghebruyckt heeft/ ende daer mede Telephum/ als Apuleius scrijft/ seer quade sweeringhen hebbende/ ghenesen.”
Vrije vertaling: Dit kruid draagt de naam Achillea naar de edele en dappere held Achilles, de beroemde krijger uit de verhalen van Homerus. Volgens de oude overlevering werd hij in zijn jeugd opgevoed en onderwezen door de wijze centaur Chiron. Deze zou hem als eerste dit geneeskrachtige kruid hebben aangewezen en hem geleerd hebben het vaak en doelgericht te gebruiken, vooral bij verwondingen.
In diezelfde overlevering wordt verteld dat Achilles met behulp van dit kruid de zwaargewonde Telephus heeft kunnen genezen, zoals ook Apuleius beschrijft. Zo kreeg het kruid zijn naam, als herinnering aan de kunst van het genezen die zelfs een krijger als Achilles werd toevertrouwd.
Klik op de afbeelding om een groter exemplaar te bekijken (afbeelding AI)
Een wondhelende krachtpatser
De plant stond in de oudheid bekend als een echte wondhelende krachtpatser. De bladeren en bloemen bevatten stoffen die ontstekingen kunnen verminderen en bloedingen helpen stelpen. Dat maakte haar ideaal voor het behandelen van snij- en steekwonden, wat verklaart waarom de Grieken en later de Romeinen haar zo waardeerden op het slagveld.
Bovendien werd Achillea gezien als een “algemeen versterkend kruid”. Men dacht dat ze het hart en de bloedvaten kon versterken, koorts kon verlagen en zelfs de spijsvertering kon ondersteunen. In volksgeneeskunde en kruidenmagie kreeg de plant daardoor een bijna magische status. Het fijne, gevederde blad en de witte of lichtroze bloemetjes versterkten die associatie met bescherming en zuiverheid: de plant leek als het ware beschermend te werken, zowel fysiek als symbolisch.
Interessant genoeg gebruiken sommige moderne kruidkundigen Achillea nog steeds bij kleine wonden, huidontstekingen of menstruatieklachten. De connectie met Achilles blijft dus niet alleen een mythe, maar ook een echo van echte farmacologische eigenschappen.
Mythen en rituelen
Zowel de Indianen als de Sumeriërs maakten al gebruik van duizendblad. De meeste gebruikte toepassing was het stelpen van bloed. In plaats van watjes deed men duizendblad in de neus tegen neusbloedingen. Het blad is namelijk uitstekend geschikt om een propje van te maken dat in de neusopening past. Er werd eerst op de bladeren gekauwd om de bladeren te kneuzen; zo komen de werkzame stoffen beter vrij.
Duizendblad was heilig voor de Kelten. Druïden deden voorspellingen met het kruid en het verzamelen ervan ging met de nodige rituelen gepaard. De Angelsaksen noemde het kruid, ‘gaeru gearwian’, dit betekent ‘bereiden” of ‘behandelen’, waarschijnlijk werd er gerefereerd aan de genezende kwaliteiten van het kruid.
Gedurende de Middeleeuwen was de naam van het kruid ook wel ‘supercilium Veneris’ ofwel ‘de wenkbrauw van Venus’, waarschijnlijk omdat het kruid veel werd gebruikt bij vrouwenziekten.
Een mooie legende verklaart waarom duizendblad in het Duits ook Zimmermanskraut genoemd wordt: Toen Jozef met Jezus aan het timmeren was schoot het mes van Jozef uit waardoor hij zich lelijk verwondde. Jezus snelde naar buiten en plukte wat duizendblad dat hij snel op de wonde legde, die daardoor onmiddellijk genas. Sindsdien geneest duizendblad wonden en werd het in het Romeinse rijk door de soldaten ook vaak daarvoor gebruikt.
De bloemen van duizendblad
Kruidenmeesters
Pedanius Dioscorides (1ste eeuw n.Chr.) De Griekse arts beschreef duizendblad in zijn beroemde kruidenwerk De Materia Medica. Hij vermeldde de plant als middel om bloedingen te stelpen en wonden te behandelen.
Claudius Galenus (Galenus) (2de eeuw) De invloedrijke Romeinse arts nam duizendblad op in de klassieke geneeskunde en zag het als een verwarmend en drogend kruid.
Hildegard von Bingen (12de eeuw) De Duitse abdis en kruidenkundige beschreef wondkruiden en reinigende planten in haar medische geschriften. Duizendblad paste goed binnen die traditie van helende veldkruiden.
Rembert Dodoens (1517–1585) In zijn beroemde Cruydeboeck beschreef Rembert Dodoens duizendblad (Gerwe) uitvoerig. Hij vermeldde toepassingen bij bloedingen, “oude wonden” en inwendige kwalen.
We citeren Dodoens:
“Geruwe ghesoden ende ghedroncken stelpt ende gheneest dat roode melizoen ende alle loop des buycx.
Geruwe oock in water ghesoden ende ghedroncken/ stelpt alle vloet maer sonderlinge die roode vloet der vrouwen. Tselve doet zy oock op die scamelijcke plaetsen gheleyt/ oft alsmen in water sidt daer sy in ghesoden es.
Geruwe ghestooten ende op die wonden gheleyt/ stelpt dat bloeyen/ bewaert ende bescermt die wonden van alle verhittinghen en swellinghen/ ende gheneest die selve.”
Dit kunnen we vrij vertalen als:
Duizendblad, gekookt en gedronken, stopt en geneest de rode loop en alle vormen van buikloop. Duizendblad, ook in water gekookt en gedronken, stelt elke bloeding stil, en in het bijzonder de rode vloed bij vrouwen. Hetzelfde effect heeft het wanneer men het op de schaamdelen aanbrengt, of wanneer men zit in water waarin het kruid is gekookt. Duizendblad, gestampt en op wonden gelegd, stelpt het bloeden, beschermt de wonden tegen hitte en zwelling, en bevordert de genezing ervan.
Leonhart Fuchs (1501–1566) De Duitse botanicus nam de plant op in zijn rijk geïllustreerde kruidenboek De Historia Stirpium, een van de belangrijkste renaissance-herbaria.
Nicholas Culpeper (1616–1654) De Engelse kruidenkundige koppelde duizendblad aan de planeet Venus en schreef dat het “wonden sluit en het bloed stilt”.
Carl Linnaeus (1707–1778) Carl Linnaeus gaf de plant haar huidige wetenschappelijke naam: Achillea millefolium. Daarmee verbond hij de klassie
Duizendblad – Achillea millefolium
Duizendblad in de magie.
Vroeger werd duizendblad onder de drempel van je huis gelegd omdat het spoken afweert en de duivel buiten de deur houdt. Zo dacht men in ieder geval. Ook de indianen verdreven de boze geesten door duizendblad te laten roken, dat wil zeggen een bosje gedroogd kruid te laten roken en daarmee rond te lopen. We zien dat veel met salie gebeuren maar je kunt voor dat doel wellicht ook eens wat duizendblad drogen! Wanneer gedragen beschermt duizendblad en geeft het moed en stopt het angst. Een bos gedroogd duizendblad boven het bed of gebruikt in bruidsboeketten verzekert dat de liefde zeker zeven jaar zal duren. Duizendblad wordt ook gebruikt in liefdesbezweringen. Als het gedragen wordt verzekert duizendblad niet alleen van liefde, maar trekt het ook vrienden aan.
Begin juni schreven we nog met een wrang gevoel over de oevers van het Minnewater. Nauwelijks was de periode van ‘Maai Mei Niet’ voorbij of de maaimachine had bijna alle begroeiing weggeveegd. Wat kort voordien nog een levend lint van bloemen en kruiden was, lag er plots …
Wat een heerlijke zomer beleven we toch! Er is haast niets dat meer vrijheid uitstraalt dan in de vroegte op de fiets te stappen, wanneer de eerste zonnestralen het landschap zacht doen ontwaken, de hitte van de dag nog ver weg lijkt, en langs de …
Ik was al onder de indruk van Madeline Millers boek “Circe“, maar haar roman “Een lied voor Achilles” heeft me van mijn sokken geblazen. Inderdaad … heel moeilijk weg te leggen.
Internationaal wordt “The Song of Achilles” beschouwd als een van de meest geliefde, moderne hervertellingen van een stukje Griekse mythologie.
“Het beste boek dat ik het afgelopen jaar heb gelezen.” (J. K. Rowling)
Duizendblad is naar hem genoemd. De wetenschappelijke naam is Achillea millefolium.
Volgens de Griekse mythologie leerde de wijze centaur Chiron aan Achilles hoe hij de plant kon gebruiken om bloedingen te stelpen en wonden van zijn soldaten te behandelen tijdens de Trojaanse Oorlog. Daarom kreeg het geslacht de naam Achillea.
Of Achilles de plant werkelijk gebruikte, is natuurlijk niet historisch te bewijzen. De naam is een eerbetoon aan de mythe. De Zweedse botanicus Carl Linnaeus nam deze klassieke geslachtsnaam in 1753 over in zijn botanische naamgeving.
Waarom juist duizendblad
De plant heeft inderdaad eigenschappen die goed aansluiten bij de oude overlevering:
ze helpt kleine bloedingen stelpen;
ze werd eeuwenlang gebruikt als wondkruid;
ze heeft een licht ontstekingsremmende werking;
ze behoort tot de bekendste geneeskruiden van Europa.
De soortnaam millefolium betekent letterlijk “duizend bladeren”, een verwijzing naar de fijn geveerde bladeren.
Een mooie symboliek
Het is opvallend dat de grootste krijgsheld uit de Griekse mythologie niet aan een wapen, maar aan een geneeskrachtige plant zijn naam heeft nagelaten. Dat weerspiegelt een oud inzicht: wie strijdt, moet ook kunnen genezen.
Voor iemand die Een lied voor Achilles leest, vormt duizendblad een mooie botanische verbinding met de figuur van Achilles. Hoewel de roman vooral draait om de relatie tussen Achilles en Patroclus, blijft de oude traditie van Achilles als krijger én genezer op de achtergrond meeklinken.
Gegevens
Auteur: Madeline Miller
Oorspronkelijke titel:The Song of Achilles
Oorspronkelijke uitgave: 2011 (Engeland: Bloomsbury Publishing; Verenigde Staten: Ecco)
Nederlandse vertaling: Robert Neugarten.
Uitgever Nederland (huidige editie): Uitgeverij Orlando, Amsterdam.
Eind mei en begin juni gingen we in het Brugs begijnhof op zoek naar wilde orchideeën. Dat men daarbij geduldig en voorzichtig tewerk moet gaan moge duidelijk zijn. Maar ons geduld werd beloond. Mocht u naar aanleiding van dit artikel de locatie willen bezoeken: de …
De Linde bij de kapel van ’t boompje. Dit is een bestaande legende over de linde bij de Mariakapel te Sint-Andries Brugge, herschreven en aangevuld met elementen uit de symboliek en de ritualiteit Aan de rand van het veld, waar het pad stilvalt tussen gras …
Wie op een zomerse dag langs een berm, dijk of droog grasland wandelt, kijkt misschien achteloos voorbij aan een sierlijke witte schermbloem. Toch groeit daar een plant met een bijzonder verleden. De wilde peen is niet alleen een vertrouwde verschijning in ons landschap, maar ook de verre voorouder van de oranje wortel die dagelijks op ons bord verschijnt.
Met haar fijne, varenachtige bladeren, haar kantachtige bloemschermen en haar merkwaardige donkere hartje tussen de witte bloempjes is wilde peen een plant vol verrassingen. Ze oogt fragiel, maar is tegelijk een sterke overlever die zich thuis voelt op zonnige bermen, dijken, duinen, braakliggende terreinen maar ook in de stad, waar ik ze – zoals bovenstaande foto bewijst – al een aantal keren op de stoep aantrof.
Wilde peen behoort tot de schermbloemenfamilie (Apiaceae) en is een inheemse twee- of meerjarige plant. Tijdens de zomermaanden vormt ze een waardevolle voedselbron voor talloze insecten en vertelt ze een eeuwenoud verhaal over de band tussen mens, natuur en cultuur.
Van wilde peen tot wortel
Alle moderne wortelrassen vinden hun oorsprong in de wilde peen. Al duizenden jaren geleden verzamelden mensen de geurige penwortels van deze inheemse plant. Geleidelijk begonnen ze exemplaren met dikkere, malsere en smakelijkere wortels te selecteren en verder te kweken. Zo ontstonden door eeuwenlange selectie de eerste cultuurvormen.
De oudste gekweekte wortelen waren niet oranje, maar wit, geel of paars. De bekende oranje wortel verscheen waarschijnlijk pas in de 16de of 17de eeuw. Ze werd vermoedelijk ontwikkeld in de Lage Landen, al is het populaire verhaal dat dit gebeurde ter ere van het Huis van Oranje nooit overtuigend bewezen.
De wortel van wilde peen oogt heel anders dan die van haar gekweekte nakomelingen. Ze is wit, slank, vaak vertakt en veel minder vlezig. Toch verraadt de karakteristieke wortelgeur onmiddellijk de nauwe verwantschap. Wie een jonge wilde peen voorzichtig uitgraaft, ruikt meteen de bekende geur van de groente die vandaag wereldwijd wordt geteeld.
Hoe herken je wilde peen?
Wilde peen is een sierlijke, inheemse plant die 30 tot 120 cm hoog kan worden. De rechtopstaande, gegroefde stengel is stevig en over de hele lengte ruw behaard. Ook de fijn ingesneden bladeren voelen behaard aan en doen sterk denken aan wortelloof of peterselie. Trek je voorzichtig een jonge plant uit de grond of kneus je een blad, dan herken je meteen de karakteristieke geur van wortel.
Van juni tot ver in de herfst verschijnen de grote, vlakke bloemschermen, die zijn opgebouwd uit honderden kleine witte bloempjes. Vaak valt één bijzonder detail op: midden in het scherm bevinden zich één of meer donkere bloemetjes. Niet elk bloemscherm bezit zo’n donkere kern, maar wanneer die aanwezig is, vormt ze een handig herkenningskenmerk. Het lijkt precies alsof er een insect in het midden van het bloemscherm zit.
De functie van deze donkere bloemetjes is nog altijd niet volledig opgehelderd. Wetenschappers vermoeden dat ze bestuivende insecten aantrekken doordat ze lijken op een insect dat al op het bloemscherm zit, of doordat ze het kleurcontrast vergroten en het bloemscherm beter laten opvallen.
Na de bloei buigen de stralen van het bloemscherm geleidelijk naar binnen. Zo ontstaat een dicht opgerolde, bolvormige vruchtstand die sterk aan een vogelnestje doet denken. Dit karakteristieke “vogelnestje” is een van de betrouwbaarste herkenningskenmerken van wilde peen en maakt de plant ook na de bloei gemakkelijk herkenbaar.
Enkele foto’s van de wilde peen door Nic Carsauw
Het “vogelnestje”
De stengel is gevuld, rechtopstaand en gegroefd met uitgespreide takken.
De plant is ruw behaard en de bladen zijn twee- tot drievoudig geveerd.
Vruchten en verspreiding
De vruchten zijn kleine splitvruchten van slechts enkele millimeters lang. Ze zijn bezet met fijne haakvormige stekeltjes, waardoor ze gemakkelijk blijven hangen in de vacht van dieren of aan kleding. Zo worden de zaden over grote afstanden verspreid.
De zaden rijpen in de herfst en hebben meestal een koude winterperiode nodig voordat ze in het voorjaar kunnen ontkiemen.
De elliptische splitvrucht is 2–3 mm lang en is met hakige stekels bezet.
Naamgeving
De herkomst van het Nederlandse woord peen is niet met zekerheid bekend. Mogelijk gaat het terug op een oud Germaans woord voor wortel, al bestaat daarover geen overeenstemming onder taalkundigen.
De geslachtsnaam Daucus gaat waarschijnlijk terug op het Oudgriekse δαῦκος (daûkos), de benaming voor een aromatische schermbloemige met een eetbare of geneeskrachtige wortel. Het is niet helemaal zeker of de Grieken daarmee precies onze wilde peen bedoelden, maar de naam werd later door botanici voor dit plantengeslacht overgenomen.
Het soortepitheton carota is afgeleid van het Griekse καρωτόν (karōton), dat “wortel” betekent. Via het Latijnse carota vond dit woord zijn weg naar tal van Europese talen, zoals het Engelse carrot, het Franse carotte, het Duitse Karotte en het Italiaanse carota.
De wetenschappelijke naam Daucus carota weerspiegelt zo de lange geschiedenis van een plant die al duizenden jaren door de mens wordt verzameld, gekweekt en veredeld.
Ecologische waarde
Wilde peen behoort tot de belangrijkste insectenplanten van de zomer. De grote, vlakke bloemschermen bestaan uit honderden kleine bloempjes die samen een ideaal landingsplatform vormen. Daardoor kunnen zowel grote als kleine insecten gemakkelijk nectar en stuifmeel verzamelen.
Tijdens de bloei is de plant een waar ontmoetingspunt voor insecten. Wilde bijen, honingbijen, hommels, zweefvliegen, vlinders, wespen en talrijke kevers bezoeken de bloemen. Niet zelden loert tussen de bloempjes ook een krabspin (Misumena vatia), die er onbeweeglijk op een nietsvermoedende prooi wacht.
Wilde peen is bovendien een belangrijke waardplant voor de koninginnenpage (Papilio machaon), een van de mooiste dagvlinders van Europa. De rupsen voeden zich met de bladeren van wilde peen en andere schermbloemigen, terwijl de volwassen vlinders graag nectar komen drinken uit de bloemen.
Nog geen halve eeuw geleden was de koninginnenpage in Vlaanderen op veel plaatsen zeldzaam geworden. Dankzij een beter bermbeheer, bloemrijkere graslanden en de aanwezigheid van waardplanten zoals wilde peen heeft de soort zich de voorbije decennia opnieuw op verschillende plaatsen kunnen vestigen.
Zo vertelt wilde peen vandaag niet alleen het verhaal van de oorsprong van onze gekweekte wortel, maar ook dat van de terugkeer van een van onze meest indrukwekkende dagvlinders. Wilde peen laat zien hoe belangrijk inheemse planten zijn voor het behoud van onze biodiversiteit.
Wilde peen in de landbouw
Wilde en gekweekte peen kunnen elkaar bestuiven. Voor zaadtelers is dat ongewenst, omdat de eigenschappen van de gekweekte rassen daardoor kunnen veranderen. Om die reden wordt wilde peen in landbouwgebieden vaak bestreden, hoewel ze ecologisch een bijzonder waardevolle plant is.
Culinair gebruik
De jonge wortel is eetbaar en smaakt duidelijk naar wortel, al is ze veel houtiger en dunner dan de gekweekte varianten. Ze wordt het best geoogst tussen het eerste en tweede groeijaar.
Ook de jonge bladeren, de bloemschermen en de aromatische zaden kunnen in kleine hoeveelheden in de keuken worden gebruikt. De zaden hebben een kruidige smaak die enigszins doet denken aan wortel en karwij.
Gebruik in de volksgeneeskunde
Wilde peen werd al sinds de oudheid gewaardeerd als geneeskrachtige plant. In de volksgeneeskunde gebruikte men de wortel, de bladeren en vooral de zaden bij uiteenlopende aandoeningen. Zo schreef men de plant een vochtafdrijvende, wormafdrijvende en samentrekkende werking toe. Daarnaast werd zij gebruikt bij maag- en nierklachten en geloofde men dat zij het gezichtsvermogen kon versterken.
De Griekse arts Dioscorides (1e eeuw n.Chr.) en later ook Arabische en Europese kruidkundigen vermeldden wilde peen als een waardevolle geneeskrachtige plant. Veel van deze toepassingen behoren vandaag tot de historische volksgeneeskunde en worden niet of slechts beperkt ondersteund door modern wetenschappelijk onderzoek.
Wilde peen en vruchtbaarheid
Een bijzonder aspect van de volksgeneeskunde is het gebruik van de zaden in verband met vruchtbaarheid en zwangerschap. In verschillende culturen werden de zaden beschouwd als een afrodisiacum en als een middel om de vruchtbaarheid of juist de conceptie te beïnvloeden. Daardoor kreeg wilde peen een bijzondere plaats in de kennis van kruidenvrouwen en vroedvrouwen.
Het gebruik van wilde peenzaden om zwangerschap te voorkomen gaat minstens terug tot de Griekse en Romeinse oudheid. Dioscorides beschreef al dat de zaden na de geslachtsgemeenschap konden worden ingenomen om zwangerschap te voorkomen. Ook latere Arabische, Perzische en Europese kruidenboeken vermelden deze toepassing. In sommige delen van India bleef dit gebruik zelfs tot in de twintigste eeuw bestaan.
Sinds de jaren 1970 hebben verschillende onderzoekers extracten van wilde peenzaden onderzocht in dierproeven, voornamelijk bij ratten en muizen. Die studies suggereren dat bepaalde stoffen uit de zaden de innesteling van een bevruchte eicel kunnen bemoeilijken en mogelijk ook de werking van het hormoon progesteron gedeeltelijk remmen. Daarom worden wilde peenzaden in de wetenschappelijke literatuur eerder beschreven als een anti-implantatiemiddel – een middel dat de innesteling van een bevruchte eicel kan verstoren – dan als een klassiek anticonceptiemiddel dat de eisprong voorkomt.
Hoewel deze onderzoeksresultaten wetenschappelijk interessant zijn, ontbreekt overtuigend klinisch bewijs dat wilde peenzaden bij mensen een betrouwbare en veilige vorm van anticonceptie bieden. Daarom worden zij hiervoor niet aanbevolen. Uit voorzorg wordt het gebruik van de zaden tijdens een (mogelijke) zwangerschap zelfs afgeraden.
Wilde peen in het straatbeeld Foto: Nic Carsauw
Verwarring met gelijkende soorten
Wilde peen behoort tot de schermbloemenfamilie (Apiaceae), een plantenfamilie waarin eetbare en uiterst giftige soorten naast elkaar voorkomen. Wie witte schermbloemigen wil verzamelen, moet de planten daarom met absolute zekerheid kunnen herkennen.
De gevaarlijkste dubbelganger is zonder twijfel de gevlekte scheerling (Conium maculatum), een van de giftigste planten van Europa. Deze soort onderscheidt zich door haar gladde, blauwgroene stengel met opvallende roodpaarse vlekken. De plant is vrijwel onbehaard en verspreidt bij het kneuzen van de bladeren een onaangename muizengeur. Wilde peen daarentegen is over de hele plant ruw behaard, heeft geen gevlekte stengel en verspreidt de kenmerkende geur van wortel.
Ook dolle kervel (Chaerophyllum temulum) kan voor verwarring zorgen. Deze soort heeft eveneens witte bloemschermen, maar mist de typische wortelgeur en vormt na de bloei geen opgerold “vogelnestje”.
Een andere gelijkende soort is fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), dat al vroeg in het voorjaar bloeit. De plant wordt meestal groter dan wilde peen, heeft luchtigere bloemschermen en de vruchtstand sluit zich na de bloei niet tot een bol.
Waarschuwing!
Verzamel nooit schermbloemigen voor consumptie wanneer je de plant niet met absolute zekerheid hebt herkend. Binnen deze plantenfamilie komen enkele van de giftigste plantensoorten van Europa voor. Een vergissing kan ernstige of zelfs levensbedreigende gevolgen hebben.
Wie zich verder wil verdiepen in de herkenning van witte schermbloemigen vindt een uitstekende determinatiesleutel op de website Wildebloemen.info.
In Engeland staat wilde peen bekend als Queen Anne’s Lace. Volgens een oude Engelse legende was koningin Anna bezig met kantklossen toen ze zich met haar naald in de vinger prikte. Een druppeltje bloed viel op het fijne witte kantwerk. Daarom zou het bloemscherm in het midden vaak een klein donker paarsrood bloemetje dragen. Hoewel die donkere bloemetjes niet altijd aanwezig zijn, blijft het een van de bekendste volksverhalen rond de plant.
In enkele streken van Duitsland en Oostenrijk werd bloeiende wilde peen verwerkt in sint-jansboeketten die rond 24 juni werden geplukt. Ook in kruidwissen, die op 15 augustus werden gewijd, maakte de plant deel uit van het boeket. Samen met sint-janskruid, duizendblad, bijvoet en kamille moest zij huis en haard beschermen tegen onweer, ziekte en ander onheil. Wilde peen speelde daarin geen hoofdrol, maar maakte wel deel uit van het beschermende kruidenboeket.
In delen van Midden-Europa hing men ook gedroogde bloemschermen van wilde peen in schuren of boven staldeuren. Volgens het volksgeloof zouden boze geesten eerst alle fijne vertakkingen moeten tellen voordat zij een gebouw konden binnendringen. Daardoor zou de plant bescherming bieden tegen kwade invloeden. Een gelijkaardig geloof bestond ook rond duizendblad, venkel en dille.
In Duitsland gebruikten jonge meisjes de plant soms als een eenvoudig liefdesorakel. Een bloeiend bloemscherm werd in een vaas gezet. Bleef het lang fris, dan zou de geliefde trouw blijven; verwelkte het snel, dan voorspelde dat een ongelukkige liefde. Zulke plantenorakels waren vroeger voor tal van plantensoorten populair.
Ook de vruchtstand sprak tot de verbeelding. Na de bloei buigt het bloemscherm langzaam naar binnen en vormt het een gesloten bol die sterk aan een vogelnestje doet denken. In verschillende streken geloofde men dat kleine elfjes of feeën hierin konden schuilen. Daarom wordt wilde peen in oude Engelse volksverhalen soms ook Bird’s Nest of Fairy’s Nestgenoemd.
In sommige landelijke streken gold wilde peen bovendien als een weervoorspeller. Men meende dat de plant regen aankondigde wanneer de bloemschermen zich begonnen te sluiten. Daarin schuilt een kern van waarheid: de vruchtstand reageert inderdaad op veranderingen in de luchtvochtigheid en sluit zich onder vochtige omstandigheden sterker.
De plant stond bovendien symbool voor bescherming en vruchtbaarheid. De diepe penwortel, stevig verankerd in de bodem, werd gezien als een teken van levenskracht en verbondenheid met de aarde. Tegelijk werd wilde peen in de volksgeneeskunde in verband gebracht met zwangerschap en geboorte.
Opvallend is dat wilde peen, ondanks haar eeuwenlange betekenis als voedsel-, genees- en cultuurplant, vrijwel ontbreekt in de grote Europese mythologieën. Ze speelt geen rol in de Griekse heldenverhalen, de Keltische sagen of de Noordse Edda’s. Sommige moderne kruidenboeken brengen haar wel in verband met Aphrodite, de Griekse godin van de liefde, maar daarvoor bestaat nauwelijks steun in de klassieke bronnen. Wilde peen is vooral een plant van het dagelijkse leven: een trouwe metgezel van boeren, kruidenvrouwen en natuurliefhebbers, eerder dan van goden en helden.
Wie in de nazomer een uitgebloeide wilde peen bekijkt, begrijpt misschien waarom deze bescheiden plant zoveel verhalen heeft voortgebracht. Het tere witte bloemscherm is veranderd in een fijn gevlochten nestje dat de rijpende zaden beschermt. Pas wanneer de tijd rijp is, opent het zich opnieuw om zijn zaden aan de wind toe te vertrouwen. Misschien schuilt juist daarin de mooiste symboliek van wilde peen: beschermen, loslaten en telkens opnieuw ruimte scheppen voor nieuw leven.
Bronnen en meer informatie
Nic Carsauw is de auteur van de website “Wilde natuur in Mechelen”. We bevelen de website van Nic ten zeerste aan. Op zijn website krijg je een overzicht van de wilde natuur in de regio Mechelen. Hiermee wil hij tevens een pleidooi houden voor het behoud van die natuur.
De brandnetel heeft door de geschiedenis heen een belangrijke rol gespeeld in verschillende religieuze en mythologische contexten, evenals in oude rituelen. Plinius de Oudere (eerste eeuw na Christus) vermeldt dat jonge brandnetels in de lente door velen als “heilig voedsel” werden gegeten. Men geloofde dat dit de gezondheid het …
De brandnetel, met zijn onmiskenbare prikkelende brandharen, is veel meer dan alleen een onkruid. Deze veelzijdige plant, met soorten zoals de grote brandnetel (Urtica dioica L.) en de kleine brandnetel (Urtica urens L.), heeft door de eeuwen heen een diepe impact gehad op mens en …
Lang geleden, toen de wereld nog fluisterde en wie luisteren kon daarin richting vond, slingerde er een smal pad door velden en bosranden. Het was geen grote heirbaan voor kooplieden of koningen, maar een bescheiden spoor, enkel bewandeld door herders, kinderen en zij die de weg waren kwijtgeraakt.
Langs dat pad groeide een bijna vergeten plantje. Niemand had het gezaaid, niemand prees het. En toch, elke lente opnieuw, opende het zijn bloemen — zo blauw alsof de hemel zelf even in het gras was gaan rusten. Het was de Gewone ereprijs.
Op een avond, toen het licht al dun werd, kwam een reiziger over het pad. Hij droeg geen last op zijn rug, maar wel in zijn hart. Wat hij geweest was, was hem ontvallen; waar hij heen ging, wist hij niet. Daarom hield hij zijn blik laag, alsof het pad hem een teken zou geven.
En zie — tussen het gras lichtten kleine blauwe sterren op.
Hij bleef staan. Er ging een aarzeling door hem heen, alsof hij een onzichtbare grens naderde. Hij boog zich over het bloempje om het van dichtbij te bekijken”
Toen werd de lucht stiller, en uit die stilte trad een vrouw naar voren. Ze was beeldmooi en haar ogen waren diep en helder. In haar handen droeg ze een fijngeweven doek.
“Ik ben Veronica,” sprak zij, en haar stem klonk als een verre echo uit een tijd die men vergeten was. “Ooit mocht ik het gelaat van de Lijdende aanschouwen. Hij liet een afdruk achter — niet enkel op mijn doek, maar in de ziel van ieder die werkelijk durft te kijken.” De reiziger voelde hoe haar woorden bij hem binnenkwamen en iets wakker maakten wat hij al lang niet meer kende.
Zij knielde en raakte de bloem in zijn hand nauwelijks aan. “Deze plant groeit waar niemand haar roept,” zei ze zacht. “Zij zoekt geen lof, geen naam. En toch draagt zij iets dat niet verloren gaat.”
“Ik ben niets meer waard,” fluisterde de man triest. “Wat blijft er dan nog over?”
Veronica legde haar doek over zijn handen. Een ogenblik leek de wereld zich te verzamelen in dat gebaar — alsof verleden en toekomst elkaar raakten.
“Wat blijft,” zei zij, terwijl haar stem versmolt met het ruisen van de bladeren, “is de mens die je altijd bent geweest. Die waarheid draagt haar eigen eer, als een stille glans die geen storm kan doven.”
“Daarom,” vervolgde zij, “noemt men deze plant ereprijs. Niet omdat zij eer schenkt zoals mensen dat doen, maar omdat zij openbaart wat je altijd al was: waardevol.”
Toen de reiziger opkeek, was de vrouw verdwenen. Alleen het pad lag nog voor hem. Maar iets was veranderd.
Hij keek naar de bloem in zijn hand, en voor het eerst zag hij niet wat hij verloren had, maar wat hem nog droeg. Hij richtte zich op, en zijn stappen werden rustiger, alsof hij opnieuw deel uitmaakte van de weg.
Sindsdien, zo wordt verteld, groeit de ereprijs langs paden waar mensen twijfelen of vergeten wie zij zijn. Wie zich verloren waant, hoeft slechts stil te worden en te kijken: daar, diep tussen het gras, gloeit een blauw teken dat je zachtjes influistert: je bent de eer waard.