Lang geleden, toen de wereld nog fluisterde en wie luisteren kon daarin richting vond, slingerde er een smal pad door velden en bosranden. Het was geen grote heirbaan voor kooplieden of koningen, maar een bescheiden spoor, enkel bewandeld door herders, kinderen en zij die de …
Zelfs bij een zacht briesje hoor je de blaadjes van de ratelpopulier ritselen. Het lijkt of de blaadjes slechts aan één draadje vastzitten, ze draaien alle kanten op. Weet je waarom de bladeren van de ratelpopulier voortdurend in beweging zijn en bij het geringste zuchtje …
De zomervakantie houdt zich prima aan de kleine lettertjes van haar eigen naam: het is warm, het is zonnig, het schreeuwt “naar buiten!” Perfect weer dus om de stadsrand eens te verkennen, per fiets of te voet.
Nu heb je in de wandelgangen — letterlijk — twee soorten mensen. Type één loopt met de kin fier omhoog, ogen gericht op de lucht, altijd op zoek naar die ene wolk die toevallig op een konijn lijkt. Type twee doet exact het tegenovergestelde: neus richting grond, speurend tussen het gras, want geen sprietje onkruid ontsnapt aan de aandacht.
En ik? Ik heb blijkbaar geweigerd te kiezen. Al 35 jaar lang ben ik zowel hemelstaarder als grondspeurder. ’s Ochtends de wolken ontrafelen, ’s middags op mijn knieën voor een plantje dat de meeste mensen straal negeren. De bovenstaande omslagfoto van de akkerdistel is een schoolvoorbeeld van mijn beide passies.
Onmogelijk te combineren, die twee obsessies? Helemaal niet. Blijkbaar kan een mens tegelijk naar de lucht én naar de bodem kijken; je moet alleen af en toe eens rechtop gaan staan om niet om of op te vallen.
Het resultaat is vrijwel altijd hetzelfde: een karrenvracht foto’s waaruit het altijd moeilijk kiezen is: “Welke ga ik nu publiceren en welke gaat de prullenbak in.”
Mijn vijf favorieten onder de zomerbloeiers … (het was moeilijk kiezen)
Akkermelkdistel (Sonchus arvensis)
Akkermelkdistel
De akkermelkdistel is een forse, tot 1,5 meter hoge plant uit de composietenfamilie, veelvuldig te vinden langs akkerranden, dijken en ruige bermen. Kenmerkend zijn de gele, paardenbloemachtige bloemhoofdjes en de stekelig getande bladeren, die bij beschadiging een melkachtig sap afscheiden — vandaar de naam. Via een uitgebreid wortelstelsel verspreidt de plant zich ondergronds, waardoor ze vaak op een rijtje te vinden zijn.
Toch is de akkermelkdistel geen storend element zonder waarde: bijen en vlinders bezoeken haar bloemen graag voor nectar en stuifmeel, en de plant bloeit van juni tot in de vroege herfst, wanneer veel andere bloeiers al zijn uitgebloeid. Een taaie overlever dus, met een verrassend belangrijke rol in een stedelijk landschap. Hier aan de Sint-Annarei te Brugge.
Duizendblad (Achillea millefolium)
Duizendblad
Duizendblad is een veelvoorkomende vaste plant met kenmerkend fijn dubbel veerdelig blad — de naam verwijst naar de “duizenden” kleine blaadjes die het geveerde loof lijkt te bevatten. De plant wordt tot 60 centimeter hoog en draagt platte, schermvormige bloeischermen met kleine, witte tot lichtroze bloempjes, die van juni tot in de herfst bloeien op droge graslanden, bermen en dijken. Ook in het straatbeeld is het duizendblad niet weg te denken.
De soort staat al eeuwen bekend om haar geneeskrachtige eigenschappen: van oudsher werd duizendblad gebruikt bij wondverzorging, vandaar volksnamen als “soldatenkruid”. Voor insecten is de plant een ware trekpleister: bijen, zweefvliegen en vlinders bezoeken de bloemen gretig voor nectar. Een onopvallende, maar veerkrachtige verschijning met een rijke geschiedenis.
De zebra-rups van de Sint-Jacobsvlinder
Jacobskruiskruid
Wie in de zomer geel-zwart gestreepte rupsen massaal op jakobskruiskruid aantreft, heeft de larve van de Sint-Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae) voor zich. De opvallende “zebra”-tekening is geen toeval: de felle kleuren waarschuwen vogels en andere vijanden dat de rups giftig is. Ze neemt namelijk de alkaloïden van haar waardplant, het jakobskruiskruid, op en slaat die op in haar lichaam.
De rupsen leven vaak in groepen en kunnen hun voedselplant in korte tijd volledig kaalvreten — een strategie die, ondanks de schade aan individuele planten, zelden een probleem vormt voor de populatie kruiskruid als geheel. Na de rupsenfase verpoppen ze zich in de grond, om als opvallende, roodzwarte vlinder weer tevoorschijn te komen.
Jacobskruiskruid -Jacobaea vulgaris.
Vroeger werd deze plant ook wel aangeduid met de naam Senecio jacobaea — dat was lange tijd de gangbare wetenschappelijke naam. Na een taxonomische herziening is het geslacht echter aangepast, en is Jacobaea vulgaris nu de correcte, actueel aanvaarde benaming. Je kan de oudere naam Senecio jacobaea dus nog wel tegenkomen in oudere bronnen of literatuur, maar botanisch gezien is Jacobaea vulgaris de huidige standaard.
Sint-janskruid (Hypericum perforatum)
Sint-janskruid (Hypericum perforatum)
Sint-janskruid is een overblijvende plant die tot 1 meter hoog kan worden en herkenbaar is aan de heldergele, vijfbladige bloemen met talrijke opvallende meeldraden. De plant bloeit van juni tot september, met een piek rond 24 juni — de feestdag van Sint-Jan de Doper, waaraan ze haar naam dankt. Kenmerkend zijn de kleine, doorschijnende stipjes op de blaadjes, die bij tegenlicht duidelijk zichtbaar worden en de wetenschappelijke naam “perforatum” verklaren.
De plant groeit graag op droge, zonnige plekken zoals wegbermen, dijken en bosranden. Al eeuwenlang staat Sint-janskruid bekend om zijn medicinale eigenschappen: het wordt van oudsher gebruikt bij lichte stemmingsklachten. Voor bijen en andere insecten is de plant een gewaardeerde bron van stuifmeel.
Teunisbloem (Oenothera species)
Teunisbloem (Oenothera species)
De teunisbloem is een opvallende, tot 1,5 meter hoge plant met grote, felgele bloemen die vier hartvormige kroonbladen hebben. Kenmerkend is haar bloeigedrag: de bloemen ontvouwen zich pas in de late namiddag of avond en verwelken vaak al de volgende ochtend — vandaar de Engelse naam “evening primrose”. Die geurige avondbloei trekt vooral nachtvlinders aan, die voor de bestuiving zorgen. Sommige waarnemers beschrijven het openspringen van de bloemknop als een subtiel, bijna hoorbaar proces dat slechts enkele minuten duurt.
Oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika, is de teunisbloem sinds de 17e eeuw in Europa ingeburgerd, aanvankelijk als tuinplant en later als verwilderde soort. Ze voelt zich thuis op droge, open plekken zoals spoorbermen, duinen, rivieroevers en braakliggend terrein, waar ze vaak in het eerste jaar enkel een bladrozet vormt en pas in het tweede jaar tot bloei komt (ze is tweejarig).
De plant staat ook bekend om haar zaadolie, die rijk is aan gamma-linoleenzuur en veelvuldig wordt gebruikt in de natuurgeneeskunde, onder meer bij huidklachten en hormonale schommelingen. Daarnaast zijn de wortels van jonge planten in het verleden weleens gegeten als groente, wat haar ook de volksnaam “nachtkaars” heeft opgeleverd — een verwijzing naar haar gele, lampachtige bloemen die in de schemering oplichten.