Onlangs mocht ik – op uitdrukkelijke vraag van de bewoonsters zelf – een plantenwandeling begeleiden in en rond het Brugse begijnhof. Het doel was eenvoudig, althans op papier: in anderhalf uur tijd kennis maken met een reeks planten die daar al jaren rustig hun eigen …
Wie aan de waterkant wandelt ziet meer dan waarschijnlijk – ook in de stad – de wolfspoot groeien. In Brugge vond ik ‘m al aan de boorden van het Minnewater, langs de oude vestingwallen, zelfs op een kademuurtje aan de Reie. Habitat De wolfspoot is …
Collega Nic Carsauw (zie verder) ging in Oostende op zoek naar wilde stadsplanten en trof daar, enigszins tot zijn verrassing, het kamilleknopje aan. De vondst benadrukt hoe deze soort zich stilaan een plaats verovert in het stedelijk milieu, vaak op onverwachte en makkelijk over het hoofd geziene plekken. Een aantal foto’s in dit artikel zijn eveneens door Nic gemaakt en geven een mooi beeld van de plant in haar typische groeiplaats.
In België is deze soort nog zeer zeldzaam en voorlopig niet ingeburgerd. In Brugge heb ik deze exoot alvast nog niet aangetroffen. In Gent, Antwerpen, Brussel en vooral in enkele kuststeden werd hij echter al wél gevonden. Misschien duikt hij binnenkort ook op in het “Venetië van het Noorden”. Ik zal er in elk geval voortaan extra aandacht voor hebben.
Door zijn bescheiden formaat wordt deze soort mogelijks vaak over het hoofd gezien, hoewel ze botanisch en ecologisch bijzonder interessant is. In een jong stadium kan ze gemakkelijk verward worden met andere laagblijvende planten met fijn ingesneden bladeren, zoals de kleine varkenskers (Coronopus didymus). Die laatste behoort echter tot een geheel andere plantenfamilie.
Het kamilleknopje is een bijzonder klein maar opmerkelijk plantje dat de laatste jaren snel terrein wint in West-Europa. Het is een exoot, want zijn oorsprong ligt in het zuidelijk halfrond. Dat blijkt voor een deel al uit zijn geslachtsnaam: australis.
Het kamilleknopje behoort tot de Asteraceae, in het Nederlands meestal de composietenfamilie genoemd. De geslachtsnaam Cotula is afgeleid van een Latijns woord dat “klein kommetje” of “napje” betekent, een verwijzing naar de vorm van de bloemhoofdjes. De soortnaam australis betekent letterlijk ‘zuidelijk’ en komt van het Latijnse Auster, wat wijst op de oorsprong van de plant op het zuidelijk halfrond.
Van daaruit verspreidde de soort zich vrijwel wereldwijd via menselijke activiteit. Tegenwoordig wordt ze beschouwd als een typische stadsplant: een soort die meelift met verkeer, toerisme en handel in planten.
In het Engels is de soort bekend onder verschillende namen, zoals bachelor’s button, annual buttonweed, Australian brassbuttons, southern waterbutton en Australian waterbutton, waarbij vooral de laatste benamingen haar herkomst uit Australië benadrukken.
Hoe verspreidt de plant zich?
De vruchtjes zijn zeer klein en licht. Ze kunnen zich verspreiden:
via schoenen en autobanden;
via caravans, tenten en campingmateriaal;
met potgrond en sierplanten;
door water en wind.
Men vermoedt dat campings een belangrijke rol spelen in de huidige verspreiding in België en Nederland.
Kamilleknopje komt vooral voor op open, vaak betreden bodems zoals voegen tussen straatstenen, campinggazons en parkeerplaatsen. Ook in stenige stadsbiotopen duikt de soort op. Daarnaast voelt ze zich thuis op droge, stikstofrijke plaatsen. Door deze voorkeur voor sterk verstoorde milieus profiteert ze duidelijk van stedelijke warmte-eilanden en van de steeds zachtere winters. Hierdoor lijkt het verspreidingsgebied van de soort zich geleidelijk verder noordwaarts uit te breiden.
Bloemen en bestuiving
De bloemhoofdjes zijn zeer klein en missen de witte lintbloemen die men bij echte kamilles verwacht. Daardoor lijken ze op kleine groengele knopjes of miniatuurknopjes — vandaar de Nederlandse naam.
Hoewel de bloei weinig opvallend is, worden de bloemen bezocht door kleine insecten. De plant produceert bovendien overvloedig zaad, wat haar snelle verspreiding verklaart.
Geur
Wanneer het blad wordt gekneusd, komt er een opvallende, aromatische geur vrij met een kruidig karakter, die soms doet denken aan kamille of aan een lichte harsgeur. De intensiteit kan variëren, maar kan bij warm weer of wanneer meerdere planten samengroeien vrij uitgesproken zijn. Deze geur helpt om de soort in het veld te herkennen en vormt zo een subtiel maar waardevol kenmerk bij de determinatie.
Ecologische bijzonderheid
Kamilleknopje behoort tot de typische “urban weeds”: kleine pionierplanten die zich bijzonder goed hebben aangepast aan menselijke verstoring. Net zoals sommige muurvarens of straatgrassen weet deze soort zelfs de kleinste open plekjes te benutten, waar de bodem open, betreden of verstoord is. Juist die veerkracht maakt het kamilleknopje tot een mooi voorbeeld van moderne stadsflora, waarin planten zich voortdurend aanpassen aan het ritme en de druk van menselijke activiteiten.
kleine groenige bloemknopjes zonder witte straalbloemen;
groeit vaak tussen stenen of in kort gras;
bloeiwijzen eerst knikkend, later rechtopstaand.
Zeldzaam of niet?
Rond 1900 werd de plant voor het eerst in België (Vesdervallei) ontdekt als woladventief. De zaden reisden toen waarschijnlijk mee in de plukken wol die massaal uit Australië werden geïmporteerd. Tegenwoordig lift de plant vooral mee als onkruid in de potgrond van geïmporteerde mediterrane planten uit Zuid-Europa, zoals olijfbomen.
In Vlaanderen blijft kamilleknopje officieel nog vrij zeldzaam, maar het aantal waarnemingen stijgt opvallend snel sinds ongeveer 2010. Vooral aan de kust en op campings wordt de soort tegenwoordig steeds vaker gevonden.
Wie is Nic Carsauw?
Nic Carsauw is een natuurfotograaf en beheerder van de website Wilde natuur in Mechelen. Hij woont in Mechelen en legt zich toe op het in beeld brengen van de spontane, wilde natuur in en rond de stad. Daarbij richt hij zich vooral op planten en dieren die zich staande houden in sterk door mensen beïnvloede omgevingen, zoals straten, voetpaden, industrieterreinen en rivieroevers.
Zijn werk vertrekt vanuit een grote aandacht voor de vaak onopvallende stadsnatuur, met de bedoeling om die beter zichtbaar en gewaardeerd te maken. Op zijn website publiceert hij foto’s en artikels over deze stedelijke biodiversiteit en draagt hij bij aan een bredere kennis van de wilde flora in het Mechelse gebied.
De Smalle weegbree is een zeer algemene en herkenbare soort van onze streken. Hij komt voor in graslanden, bermen, dijken, akkers, paden en zelfs in kieren tussen bestrating. Vooral op open, betreden of verstoorde bodems voelt hij zich goed thuis. Dat verband met wegen zit ook in …
De zachte ooievaarsbek (Geranium molle) is een charmante, bescheiden plant die tot de – wat dacht je – ooievaarsbekfamilie behoort, of in wetenschappelijke termen: de Geraniaceae. Kenmerkend voor deze familie zijn de vruchtjes met een opvallend lange, snavelvormige uitgroei. Ze doen denken aan de snavel van een ooievaar, wat meteen …
Melkdistels zijn echte ruigteplanten, maar ook in de stad komen ze vaak voor. Niet alleen in plantsoenen en wegbermen, maar ook gewoon op de stoep tegenaan een huisgevel
In Vlaanderen komen eigenlijk maar twee soorten melkdistels voor uit het geslacht Sonchus — het geslacht dat in het Nederlands werkelijk “melkdistels” heet:
Gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
Gekroesde melkdistel (Sonchus asper)
Beide behoren tot het geslacht Sonchus, dat typisch is voor de echte melkdistels met geel bloeiende hoofdjes en wit melksap.
Soms ontstaat er verwarring doordat de mariadistel (Silybum marianum) in de volksmond ook soms “melkdistel” genoemd wordt, maar botanisch behoort die tot een heel ander geslacht.
De gewone melkdistel en de gekroesde melkdistel lijken op het eerste gezicht sterk op elkaar. Ze behoren tot hetzelfde geslacht en bloeien allebei met gele, paardenbloemachtige bloemen en bevatten wit melksap. Toch zijn ze in het veld vrij goed van elkaar te onderscheiden wanneer je op een paar duidelijke kenmerken let.
Bladeren
De Gewone melkdistel is doorgaans wat zachter van bouw. De bladeren voelen minder stug aan en hebben meestal afgeronde of zacht getande randen. Aan de basis van het blad zitten de zogenaamde “oortjes” die de stengel omarmen, maar die zijn vrij rond en niet stekelig. De plant oogt daardoor wat losser en minder streng. Ze groeit vaak op verstoorde bodems, moestuinen en akkers, en past zich gemakkelijk aan haar omgeving aan.
Gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
De Gekroesde melkdistel daarentegen heeft een duidelijk steviger en stekeliger karakter. De bladeren zijn harder, glanzender en opvallend scherp getand. De rand van het blad voelt bijna snijdend aan. Ook de “oortjes” rond de stengel zijn hier puntig en scherp, waardoor de stengel als het ware stevig wordt vastgegrepen. Dit geeft de plant een wat stugge, beschermde uitstraling. Ze is vaak te vinden op iets drogere, meer verdichte of verstoorde bodems, zoals wegenranden en braakliggende terreinen.
Gekroesde melkdistel (Sonchus asper)
Samengevat kun je het verschil in het veld meestal eenvoudig onthouden: de gewone melkdistel is zachter en vriendelijker van vorm, terwijl de gekroesde melkdistel duidelijk steviger en stekeliger is opgebouwd.
Bloemen
Zowel de Gewone melkdistel als de Gekroesde melkdistel dragen dezelfde typische “paardenbloemachtige” bloemhoofdjes: helder geel, samengesteld uit vele lintbloempjes, en ze bloeien allebei vrij lang van late lente tot in de herfst. Op het eerste gezicht lijken de bloemen dus bijna identiek.
Toch zijn er enkele kleine, maar bruikbare verschillen:
Grootte van de bloemhoofdjes De gewone melkdistel heeft meestal iets grotere en iets lossere bloemhoofdjes. Bij de gekroesde melkdistel zijn ze vaak iets compacter en strakker opgebouwd.
Aantal bloemhoofdjes per stengel De gewone melkdistel vertakt vaak rijker en draagt daardoor meer, verspreide bloemhoofdjes. De gekroesde melkdistel is meestal iets minder vertakt, waardoor de bloemen wat meer gegroepeerd lijken.
Conclusie
Belangrijk om te onthouden: de bloemen alleen zijn geen betrouwbare onderscheidende factor. In de praktijk blijft het blad—vooral de vorm van de bladoortjes en de stekeligheid—veruit het beste kenmerk om beide soorten zeker te herkennen.
In 1967 klonk het al zo treffend bij The Beatles: “With a Little Help from My Friends”. Het nummer verscheen op het legendarische album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (juni 1967), gezongen door Ringo Starr, en groeide uit tot een van de meest herkenbare albumtracks van de jaren …
Kleinbloemige amsinckia (Amsinckia micrantha) De kleinbloemige amsinckia is in Vlaanderen een exoot en wordt beschouwd als een neofyt: een plantensoort die via menselijke activiteit in onze streken is terechtgekomen, vermoedelijk samen met zaaizaad of graanimport. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika, is in Vlaanderen zeldzaam tot schaars …
De grote brandnetel (Urtica dioica) is tweehuizig. Dat betekent dat er afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke planten bestaan. Een plant draagt dus óf alleen mannelijke bloemen, óf alleen vrouwelijke bloemen. Later zullen we het daar nog uitgebreider over hebben.
De bestuiving gebeurt door de wind. Daarom moeten de bloemen van beide planten goed aangepast zijn: de mannelijke bloemen om pollen vrij te laten, de vrouwelijke om dat pollen uit de lucht op te vangen.
De mannelijke brandnetel
De mannelijke plant herken je aan haar vrij compacte, eerder opstaande bloeiwijzen. De trosjes ogen vaak wat steviger en dichter bijeen.
De bloemen bevatten meeldraden die grote hoeveelheden pollen produceren. Wanneer de bloemen rijp zijn, springen de meeldraden plots naar buiten en komt een wolkje stuifmeel vrij dat door de wind wordt meegevoerd.
Kenmerken
Bloeiwijzen vaak meer rechtopstaand
Bloemen eerder compact en dicht bijeen
Produceert pollen
Geen zaadvorming
Grote brandnetel met mannelijke bloemen
Detail mannelijke bloeiwijze
De vrouwelijke brandnetel
De vrouwelijke plant ziet er anders uit. De bloeiwijzen hangen meestal losser en meer neerwaarts langs de stengel.
Het opvallendste kenmerk zijn de witte stempeltjes die uit de kleine bloempjes steken. Die fijne draadjes staan als kleine waaiertjes open om pollen uit de lucht op te vangen. Zodra een stuifmeelkorrel blijft kleven, kan bevruchting plaatsvinden.
Na de bestuiving ontwikkelen zich kleine zaadjes.
Kenmerken
Bloeiwijzen meestal losser en meer hangend
Duidelijk zichtbare witte stempeltjes
Stempeltjes werken als kleine vangnetjes voor pollen
Vormt later zaadjes
Wie eenmaal op die witte waaiervormige stempeltjes let, kan vrouwelijke brandnetels in de zomer haast onmiddellijk herkennen.
Grote brandnetel met vrouwelijke bloemen
vrouwelijke bloei
Wildpluk
Wildplukkers geven vaak de voorkeur aan de vrouwelijke planten van de grote brandnetel (Urtica dioica), en dat heeft een aantal heel praktische redenen.
Na de bloei ontwikkelen deze planten kleine zaadjes. Die zaden worden al eeuwenlang gewaardeerd omdat ze bijzonder voedzaam zijn: ze bevatten mineralen, eiwitten en waardevolle vetzuren. In de traditionele kruidenleer golden ze als een versterkend natuurproduct, dat men bijvoorbeeld door voeding mengde of eenvoudig droog bewaarde voor later gebruik.
Ook tijdens de bloeiperiode zelf zijn vrouwelijke planten aangenamer om te verzamelen. Ze produceren geen wolken stuifmeel zoals de mannelijke planten dat doen, waardoor er minder kans is op irritatie bij het oogsten. Bovendien voelen hun bloemtrossen vaak wat voller en zachter aan, wat ze geschikt maakt voor droging of verdere verwerking in kruidentoepassingen.
Traditioneel gebruik van brandnetelzaad en oogsttips
In de volkskruidenkunde worden brandnetelzaden al eeuwenlang gewaardeerd als een krachtig en voedzaam natuurproduct. Ze werden vroeger op verschillende manieren gebruikt: door ze door pap of brood te mengen, als versterkend middel of eenvoudigweg als strooisel over de dagelijkse maaltijd.
Wie brandnetelzaad wil verzamelen, doet dat best met zorg en respect voor de omgeving. Kies altijd een schone plek, ver weg van verkeer of bespoten bermen. Draag handschoenen om de huid te beschermen en pluk nooit alles weg. Laat altijd voldoende staan, zodat insecten, vogels en de plant zelf zich verder kunnen ontwikkelen.
In de meimaand In de meimaand, in de meimaand, Als de vogeltjes zo zingen, Als de bloemen in de weide Uit hun groene knopjes springen.
Kastanjebomen staan, Een hele lange laan, Met kaarsjes spits en fijn, Te pronk in zonneschijn.
In de meimaand, in de meimaand, Komt de zon met gouden stralen, Om de koude van de winter Uit de harten weg te halen.
Kastanjebomen staan, Een hele lange laan, Met kaarsjes spits en fijn, Te pronk in zonneschijn.
Elk jaar, wanneer de paardenkastanje in bloei staat, denk ik terug aan het versje “In de meimaand”. Als kind zong ik het op school, en later — toen ik zelf voor de klas stond — gaf ik het door aan mijn leerlingen. Zo leeft het verder, van stem tot stem, zoals dat vroeger altijd ging.
Het rijmpje werd geschreven door Hendrika van Tussenbroek (1854–1935). Ze was een zeer invloedrijke Nederlandse componiste, tekstdichteres en muziekpedagoge. Ze was een van de weinige vrouwen in die tijd die een succesvolle carrière als professioneel musicus en componist wist op te bouwen. Haar liedjes waren zo populair dat ze tot ver in de jaren ’60 van de vorige eeuw standaardonderdeel waren van het Nederlandstalige basisonderwijs. Dit versje verscheen oorspronkelijk in de bundel Meiliedjes (gepubliceerd rond 1900).
In de meimaand… een oud verhaal
Heel lang geleden, toen de mensen nog luisterden naar wat de wind hen toefluisterde, lag er aan de rand van een dorp een bijzondere laan. Een lange rij oude kastanjebomen wees er de weg naar de velden. Niemand wist nog wie ze had geplant. Sommigen fluisterden dat een zwervende monnik ze had neergezet. Anderen geloofden dat de bomen zelf ooit hun plaats hadden gekozen, alsof ze daar moesten staan.
In de winter leken het donkere wachters, met knoestige armen tegen een bleke hemel. Maar diep in hun kleverige knoppen droegen ze een geheim, dat ze geduldig bewaarden. Terwijl andere bomen zich al vroeg tooiden met fris groen, wachtten de kastanjes. Ze wachtten tot de lucht zacht werd, tot de geur van regen en jong gras precies goed was.
En dan, op een ochtend in mei, gebeurde het. De knoppen sprongen open. Niet aarzelend, maar alsof ze samen een besluit hadden genomen. Uit elke tak verrezen witte bloemtrossen, rank en rechtopstaand, als kaarsen die naar het licht reikten. Het was alsof de hele laan tegelijk ontwaakte. “De bomen hebben hun kaarsjes aangestoken,” zeiden de dorpsmensen. Maar niemandwist nog waarom dat juist op die dag gebeurde.
Volgens de oudste verhalen begon het met één kind. Lang geleden was er een jongen die op een vroege mei morgen alleen de laan inliep. Hij voelde zich vreemd stil vanbinnen, alsof hij ergens op wachtte zonder te weten waarop. Toen hij onder de bloeiende bomen stond, begon hij zachtjes te zingen — het lied dat hij van zijn moeder had geleerd.
“In de meimaand, in de meimaand…” Zijn stem was klein in de grote laan, en even leek het alsof er niets gebeurde. Maar toen ritselden de bladeren. Heel zacht eerst. Alsof de bomen naar het lied luisterden.
De jongen aarzelde. Hij wilde stoppen — maar iets hield hem tegen. Hij zong verder, iets luider nu. En toen gebeurde het! De bloesems leken helderder te worden, de geur werd voller en zoeter, en de takken bogen een weinig naar beneden, alsof ze dichterbij wilden komen. Niet dreigend, maar warm — als een gebaar van herkenning.
De jongen liep die dag terug naar het dorp met een glans in zijn ogen. Hij vertelde wat er gebeurd was, maar de mensen lachten eerst. Tot de volgende ochtend andere kinderen ook naar de laan trokken… en hetzelfde meemaakten.
Sindsdien is het een gewoonte geworden, al weet niemand meer precies wanneer ze begonnen is. Elk jaar, in de meimaand, worden kinderen als vanzelf naar de kastanjelaan getrokken. Niet geroepen, niet gestuurd — maar geleid door iets wat ouder is dan woorden.
Wanneer hun voeten het zandpad raken, worden ze stil. Alsof ze een groene kathedraal betreden. Het licht speelt tussen de bladeren, en de witte bloesems branden zachtjes als kaarsen in de ochtendzon.
Dan klinkt er, aarzelend eerst, weer dat oude lied. En altijd — wie goed luistert, weet het zeker — antwoorden de bomen. Hun bladeren fluisteren mee, hun kruinen bewegen langzaam, en hun bloeiende takken buigen zich licht naar beneden, alsof ze de kinderen willen omarmen.
De oude mensen in het dorp vertellen het nog steeds: dat de kastanjebomen in mei niet zomaar bloeien. Ze wachten. Op stemmen. Op verwondering. Op het lied.
En wie in de meimaand door zo’n laan wandelt, moet maar eens stilhouden en luisteren. Misschien hoor je nog het verre zingen van lang geleden.
En als je dan opkijkt naar de witte bloesems, begrijp je het vanzelf: de bomen hebben hun kaarsjes niet alleen voor zichzelf aangestoken, maar voor iedereen die nog kan kijken met een open hart.