Zelfs bij een zacht briesje hoor je de blaadjes van de ratelpopulier ritselen. Het lijkt of de blaadjes slechts aan één draadje vastzitten, ze draaien alle kanten op. Weet je waarom de bladeren van de ratelpopulier voortdurend in beweging zijn en bij het geringste zuchtje wind al ratelen en ritselen? Dat komt door hoogmoed. Lees deze Marialegende.
De kerstnacht was nog maar nauwelijks geweken toen het onheil zich als een schaduw over het land begon te verspreiden. Het nieuws van de geboorte van Christus had de oren van koning Herodes bereikt, en met die tijding groeide zijn wantrouwen. Een nieuwe koning – zo werd gefluisterd – dat duldde hij niet.
Wegen werden afgesloten, soldaten patrouilleerden dag en nacht langs de stadspoorten, en elke reiziger werd met achterdocht bekeken. In dat gespannen land trokken Maria, Jozef en het kind Jezus behoedzaam verder, weg van de grote banen, diep de kleine landweggetjes in — daar waar het stil was en de natuur nog bescherming bood.
Maar Maria droeg niet alleen haar angst; ze droeg ook een oud vertrouwen met zich mee — een vertrouwen dat wortelde in de aarde zelf. De bomen en planten, zo wist zij, zouden hen niet in de steek laten.
En inderdaad, telkens weer leek de natuur zich over hen te ontfermen. De treurwilg liet haar lange, soepele takken zachtjes neerhangen, precies op het ogenblik dat er gevaar dreigde, en hulde het gezin in een groene sluier. De jeneverbes, grillig en oud, opende haar wirwar van takken waartussen zij konden verdwijnen. En de knoestige wilgen, door weer en tijd getekend, leken hen de weg te wijzen naar hun donkere, veilige holten.
Maar niet elke boom bleek bereid tot mededogen.
Op een dag, toen de zon hoog stond en het verre gerinkel van harnassen de stilte verscheurde, zocht Maria beschutting bij een trotse populier. Haar stem trilde toen ze smeekte: “Lieve populier, spreid je bladerdak over ons uit. Verberg ons, want het kwaad zit ons op de hielen…”
De boom ruiste met zijn zilvergrijze bladeren, maar niet uit mededogen. Hij rechtte zijn stam en keek neer op de vermoeide reizigers.
“Ik buig niet voor bannelingen,” klonk het kil door de kruin. “Mijn takken reiken naar de zon; ik ben te groots om mij te bukken voor de angst van mensen.”
Een schaduw van pijn trok over Maria’s gezicht. Ze legde haar hand op de harde bast en sprak met een stem die klonk als een oordeel:
“Dan zul jij voortaan geen rust meer kennen. Zoals mijn hart nu beeft van angst, zo zal jij beven bij elke zucht van de wind — zolang er bladeren aan je takken groeien.”
Nog voor de soldaten hen konden bereiken, vluchtte het gezin weg, de rietvelden in. De slanke halmen weken uiteen en sloten zich daarna weer stil en beschermend, alsof er nooit iemand was geweest.
Sindsdien is de ratelpopulier nooit meer tot rust gekomen. Al bij het lichtste briesje beginnen zijn bladeren te sidderen en te trillen — een eeuwige herinnering aan die ene dag, toen zijn hoogmoed het won van mededogen.