Beklierde nachtschade… een brokje geschiedenis

Heel lang geleden – dit lijkt wel het begin van een oud sprookje – maakte ik op 1 september 2007 deel uit van een groep botanici die onder de vlag van FON (Floristisch Onderzoek voor Natuurbehoud) een deel van de Brugse binnenstad inventariseerde. Ook aanwezig waren de Antwerpenaars Erik Molenaar en Nico Wysmantel, Mia Schrooten en Piet Coninx uit het verre Wijgmaal en Johan Devos (links) uit Veurne. En ikzelf? Ik sta helemaal rechts op de foto.
De inventarisatie werd later beschreven door wijlen Erik Molenaar in de Natuurpunt-nieuwsbrief Mossen en Lichenen – Planten – Paddenstoelen, 8e jaargang nr. 1 (januari–maart 2008), in het hoofdstuk “Verslagen FON 2007” (p. 42 e.v.).
En daar lees ik een zinnetje dat bijna twintig jaar later opnieuw mijn aandacht trekt:
“Reeds voor we aan het desbetreffende kilometerhok arriveren, doen we een aantal fijne waarnemingen; zo groeien op de parking van het Congrescentrum Oud St.-Jan alvast beklierde nachtschade, hoge fijnstraal en tongvaren.”
Een bijzondere vermelding, want de beklierde nachtschade werd hier dus niet achteraf op basis van een foto of een vermoeden benoemd: de plant werd tijdens een officiële floristische inventarisatie als zodanig genoteerd.
Maar hoe bijzonder was die vondst eigenlijk? En wanneer werd beklierde nachtschade voor het eerst in Vlaanderen gevonden?

Een naam met een geschiedenis
Beklierde nachtschade werd vroeger beschouwd als een aparte ondersoort van de zwarte nachtschade, met als wetenschappelijke naam Solanum nigrum subsp. schultesii. Tegenwoordig maken moderne taxonomen, onder wie Särkinen en haar medeauteurs, dat onderscheid niet meer. Zij rekenen de beklierde nachtschade tot een ruim opgevatte Solanum nigrum. De naam beklierde nachtschade blijft echter handig in gebruik, omdat hij een duidelijk herkenbare vorm van de zwarte nachtschade aanduidt: planten met opvallende, afstaande en vaak geklierde haren.
De historische kennis over de plant is bovendien ingewikkelder dan ze op het eerste gezicht lijkt. In zijn Catalogue of neophytes in Belgium (1800–2005) noemt Filip Verloove 1893 als de oudste Belgische vondst van Solanum nigrum subsp. schultesii. Het taxon was daarmee dus al meer dan een eeuw vóór onze Brugse inventarisatie in België bekend.
Verloove vermeldt bij die vondst uit 1893 echter geen exacte vindplaats. We weten daarom niet of die eerste Belgische vondst ook in Vlaanderen werd gedaan.

Vlaanderen: zeker sinds 1976
Een moderne herziening van oud herbariummateriaal geeft ons wel een veel duidelijker beeld van de Vlaamse geschiedenis. Särkinen en haar medeauteurs onderzochten opnieuw Belgisch herbariummateriaal en konden exemplaren van beklierde nachtschade bevestigen uit De Panne en de Westhoek, beide verzameld op 15 augustus 1976. Daarnaast is er bevestigd materiaal uit Gent uit 1983 en Antwerpen (Linkeroever) uit 2009.
Daarmee is 1976 het oudste Vlaamse herbariumrecord dat in deze moderne taxonomische revisie expliciet als beklierde nachtschade werd herkend.
Dat hoeft echter nog altijd niet te betekenen dat de plant vóór 1976 nooit in Vlaanderen voorkwam. Oudere exemplaren kunnen immers in herbaria zijn opgeborgen onder de veel algemenere naam Solanum nigrum. Het onderscheid tussen zwarte en beklierde nachtschade werd vroeger niet altijd gemaakt en werd pas later, door een nauwkeuriger onderzoek van de kenmerken, duidelijker.

En dan Brugge, 2007
Tegen die achtergrond krijgt de waarneming van 1 september 2007 op de parking van Oud Sint-Jan een mooi historisch perspectief.
De Brugse plant was zeker niet de eerste beklierde nachtschade van Vlaanderen. Het herbariummateriaal uit 1976 bewijst dat de vorm daar al minstens enkele decennia eerder voorkwam. Maar de FON-waarneming is wél een interessante, nauwkeurig gedateerde Brugse vondst. Bovendien staat ze zwart op wit in het inventarisatieverslag van die dag.
En daar komt nog iets bijzonders bij: ik was er zelf bij!
Bijna twintig jaar later kijk ik dus opnieuw naar die oude foto en naar dat ene zinnetje in het verslag. Wat toen gewoon één van vele floristische waarnemingen was, blijkt nu een klein stukje botanische geschiedenis van Brugge te zijn.
En de oudste Belgische vondst uit 1893? Die blijft voorlopig een botanisch mysterie. Waar groeide die plant precies, en wie verzamelde haar? Misschien ligt het antwoord nog ergens verborgen in een oud herbariumblad.

En Nederland?
Ook in Nederland begint de geschiedenis van de beklierde nachtschade met een klein botanisch mysterie. De soort werd daar in 1931 voor het eerst gemeld, in de Watergraafsmeer bij Amsterdam. Maar wie de plant toen ontdekte, waar precies in de Watergraafsmeer ze groeide en of van die eerste vondst nog een herbariumexemplaar bewaard is gebleven, weten we voorlopig niet.
Tijd om de plant zelf onder de loep te nemen.

Zwarte nachtschade versus beklierde nachtschade
De zwarte nachtschade is een eenjarige plant die doorgaans 20 tot 60 cm hoog wordt. De oudere delen van de stengel zijn meestal kaal, terwijl de jongere stengeldelen bezet zijn met korte, aangedrukte haren. De bladeren zijn eirond tot ruitvormig en kunnen een gave, getande of zwak gelobde rand hebben. De kleine, witte bloemen hebben vijf teruggeslagen kroonbladen en opvallende gele helmknoppen.
De beklierde nachtschade lijkt op het eerste gezicht sterk op de zwarte nachtschade, maar oogt doorgaans wat ruiger. Het belangrijkste onderscheid zit in de beharing van de stengel: bij de zwarte nachtschade liggen de haren kort en aangedrukt tegen de stengel, terwijl bij de beklierde nachtschade lange, afstaande haren overheersen, waarvan een groot deel een klein klierkopje draagt. Daardoor kan de plant wat kleverig aanvoelen, en met een goede loep is het verschil bijzonder duidelijk: bij de zwarte nachtschade liggen de haren plat tegen de stengel, bij de beklierde nachtschade staan ze als kleine borsteltjes af. Dat is in het veld ook het meest bruikbare kenmerk om beide vormen van elkaar te onderscheiden. Ook de jonge bladeren van de beklierde nachtschade zijn duidelijk behaard, vooral langs de bladrand; later kunnen ze grotendeels kaal worden. De bladeren zijn bovendien grover en regelmatiger getand of zwak gelobd dan die van de zwarte nachtschade.
De bloemen en vruchten lijken daarentegen sterk op elkaar. Beide vormen dragen witte bloemen met gele helmknoppen en ontwikkelen glanzend zwarte bessen. Dat laatste is belangrijk, want een eerdere opvatting dat de bessen van de beklierde nachtschade niet zwart zouden worden, berust op verwarring met andere nachtschades.

Habitat
De beklierde nachtschade lijkt een voorkeur te hebben voor een wat warmer en steniger milieu. Ze wordt vooral aangetroffen op sterk verstoorde en vaak zonnige plaatsen, zoals bouwterreinen, braakliggende gronden, puinhopen, parkeerplaatsen, stoepen en stenige bermen.
Dat zijn precies de milieus die in onze steden volop aanwezig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk dat de soort in het stedelijke landschap steeds meer aandacht krijgt. Of ze op langere termijn ook werkelijk in aantal toeneemt ten opzichte van de zwarte nachtschade, is voorlopig moeilijk met zekerheid te zeggen.

Giftig?
De naam nachtschade klinkt terecht een beetje onheilspellend. Solanum nigrum bevat namelijk steroïdale glycoalkaloïden. Vooral de onrijpe, groene bessen kunnen hoge concentraties bevatten. Tijdens het rijpen verandert de samenstelling van deze stoffen en neemt het totale gehalte doorgaans af, al kan dat sterk verschillen van plant tot plant.
Dat betekent echter niet dat rijpe bessen zonder meer als eetbaar kunnen worden beschouwd. Inname kan leiden tot misselijkheid, buikpijn, braken en diarree, maar bij een ernstige vergiftiging kunnen ook neurologische verschijnselen optreden.
De plant met de blote hand aanraken is geen probleem; het risico ontstaat vooral bij inname. Zowel voor zwarte én beklierde nachtschade geldt eenvoudigweg: niet eten!

Bronnen en meer informatie
Särkinen, T., Poczai, P., Barboza, G.E., van der Weerden, G.M., Baden, M. & Knapp, S. (2018), A revision of the Old World Black Nightshades, PhytoKeys 106: 1–223.
https://www.biodiversitylibrary.org/page/64629223#page/1/mode/1up
Verloove, F., Catalogue of neophytes in Belgium (1800–2005).
Molenaar, E. (2008), Verslagen FON 2007, in: Mossen en Lichenen – Planten – Paddenstoelen, 8e jaargang nr. 1 (januari–maart 2008), p. 42 e.v.
https://www.natuurpunt.be/system/files/publications/2024-02/Plantennieuwsbrief%20-%202008-1.pdf

Link naar de 16 meest recente artikelen
- Een bloemsteel die van gedachten verandert
- Pluimgierst – een grassoort met een rijke geschiedenis
- En de stadsplant van de maand oktober is…
- Plantenquiz
- De zeeaster, plant van twee werelden
- Resultaten van de enquête
- Kies de “stadsplant van de maand” voor oktober
- Beklierde nachtschade… een brokje geschiedenis
- Uw mening over Stadsplanten.be telt!
- Onkruid voor mijn deur? Moet ik het verwijderen?
- Wilgenroosje … een romantisch verhaal
- Wilgenroosje
- Canadese fijnstraal versus hoge fijnstraal
- Wakker worden in de nazomer met het gefluister van de planten
- Kruidenwijding te Damme
- Waarom ik van het bouwverlof (bouwvak) houd…
Ontdek meer van Stadsplanten
Abonneer u om de nieuwste berichten in uw inbox te ontvangen.
















