Welke wilde stadsplant verdient volgens jou extra aandacht? Vanaf oktober laten we de bezoekers van Stadsplanten.be iedere maand hun favoriete stadsplant kiezen. Voor deze eerste verkiezing hebben we vier typische stadsplanten geselecteerd. Bekijk de kandidaten hieronder en breng je stem uit. Je kunt één keer stemmen. …
“Laat je meevoeren in het gebruik, de geschiedenis en de magie van de flora tijdens een wandeling van circa 3,5 kilometer. Proef van het lekkers dat wilde planten ons al eeuwen geven.” Dit lazen we op de uitnodiging van Katrien Cattoor – hart en ziel …
In de reeks plantenverhalen vertellen we vandaag een waargebeurd verhaal: “Over het straatmadeliefje, een hongerige echtgenote en de 504 stappen naar de warme bakker.“
Deze ochtend stelde ik bij het opstaan vast dat de broodtrommel leeg was. Uit jarenlange ervaring weet ik wat dat betekent. Vroeg of laat klinkt dan de onvermijdelijke vraag van mijn vrouw: “Zou jij eens snel naar de bakker kunnen lopen voor een broodje?”
Nu moet je weten dat ik om half acht ’s morgens het woord “snel” interpreteer als “doe maar rustig aan”, en het woord “broodje” als een ruim assortiment bestaande uit croissantjes, pistolets, een boterkoek met rozijnen, een sandwich met chocolade én eentje met slagroom. Toen ik mijn jas al aantrok, volgde nog een laatste instructie: “En breng ook nog een koekje mee voor bij de koffie deze namiddag.” Na 51 jaar huwelijk heb ik geleerd tussen de regels te lezen. Vrij vertaald betekent dit: “Vergeet vooral geen gebakje met slagroom en aardbeien voor mij.” Een goed verstaander heeft immers maar een half woord nodig. En een getrouwde man meestal nog minder.
“Laat ik van mijn ochtendwandeling naar de warme bakker meteen een klein plantenexperiment maken,” dacht ik bij mezelf. Van thuis tot aan de bakker zijn het precies 504 stappen. Dat weet ik zo nauwkeurig omdat ik ooit de moeite heb gedaan ze te tellen. Ik ben namelijk gek op exact meten en wegen — meten is weten, nietwaar? Goed, het experiment ligt vast: “Fotografeer de eerste tien straatplanten die je onderweg op je 504 stappen tellende tocht tegenkomt!”
Ik vertrok met de ernst van een wetenschapper in het veld, gewapend met een scherp oog en een nog scherpere interesse voor alles wat groeit tussen stoeptegel en straatgoot. Maar al snel bleek dat óf mijn speurdersinstinct uitzonderlijk goed ontwikkeld is, óf – en dat is aannemelijker – dat de urbane flora gewoon bijzonder gul in het leven staat. Na amper vijftig stappen was mijn lijstje van tien al afgevinkt.
Ik keek vooruit naar de resterende 454 stappen en stelde mijn protocol lichtjes bij: “Fotografeer de twintig eerste straatplanten die je tegenkomt.” En zo veranderde een eenvoudige broodtocht stilaan in een heuse veldstudie die al gauw een klein halfuurtje in beslag nam, terwijl mijn echtgenote thuis met groeiend ongeduld wachtte op… jawel… die sandwich met chocolade en slagroom.
Ondertussen bleef één vaststelling overeind: het straatmadeliefje had ik nergens gespot. Niet zo verwonderlijk, want in mijn directe buurt komen straatmadeliefjes niet voor. En stel dat ik er tóch eentje had gezien, dan was het bij een korte blik gebleven. Voor zo’n alledaagse soort hoef ik geen foto te nemen en al helemaal geen ObsIdentify boven te halen om tot een correcte determinatie te komen. 😄
Straatmadeliefjes zijn nochtans een soort die wereldwijd voorkomt, vooral in een stedelijke omgeving waar ze zich helemaal thuis voelen. In landelijke gebieden laten ze zich ook wel zien, maar daar verdwijnen ze vaak net zo snel weer tussen het hogere gras. Volgens Waarnemingen.be werd het straatmadeliefje in Vlaanderen alleen al 363.277 keer gemeld. Van zeldzaamheid kan dus moeilijk sprake zijn. Zoek het zelf maar eens op!
Al ligt dat anders bij de betekenis van het woord zelf; daar durft de natuurlijke variatie al eens over te gaan in taalkundige wildgroei. Tijd om een digitale hulplijn in te schakelen. Ik opende ChatGPT en dropte de prompt: “Welke betekenissen heeft het woord straatmadeliefje?”
Daar rolde het volgende antwoord uit:
Het woord straatmadeliefje heeft doorheen de tijd verschillende betekenissen gehad: De bekendste figuurlijke betekenis is die van een “lichte vrouw”, waarbij het woord op een eerder eufemistische, bijna poëtische manier wordt gebruikt.
Voor wie belangstelling heeft voor volkscultuur en planten is die gelaagdheid bijzonder boeiend. Het ogenschijnlijk onschuldige madeliefje, symbool van eenvoud en zuiverheid, krijgt in de volkstaal plots een heel andere lading. Een mooi voorbeeld van hoe taal even pikant kan bloeien als de natuur zelf.
Maar we dwalen af! Hoe is het ondertussen met het 504-stappen-experiment gesteld? De twintig plantenfoto’s zijn binnen, maar de klok heeft niet stilgestaan. Als ik op mijn horloge kijk, zie ik dat mijn ‘wetenschappelijke’ uitstapje inmiddels ruim een halfuur duurt. Ik begin ernstig te vermoeden dat het onschuldige straatmadeliefje niet de enige is die vandaag voor een pittige betekenisverschuiving gaat zorgen. Als ik dadelijk zónder die sandwich met chocolade en slagroom de keuken binnenstap, zal het woord “snel” thuis ongetwijfeld heel anders gedefinieerd worden. Meten is weten, maar rennen is nu … de boodschap!
Klik op de afbeeldingen om een groter formaat te bekijken.
Straatgras (Poa annua)
Nummer 1: De eerste straatplant die ik zag was – hoe kan het ook anders – straatgras. Een straatrakker die niet weg te denken is uit de stedelijke omgeving. Straatgras (Poa annua) is een bescheiden maar uiterst taaie pionier van stoepen, paden en voegen. Het groeit het hele jaar door en kan al bloeien bij slechts enkele centimeters hoogte.
Straatgras (Poa annua)
Muurleeuwenbekje (Cymbalaria muralis)
Nummer 2 was – ook niet verwonderlijk in Brugge – het muurleeuwenbekje (Cymbalaria muralis), een sierlijke plant die zich thuis voelt op oude muren. Na de bloei buigen de bloemstelen zich naar het donker en zaaien de zaden in spleten. Zo “zoekt” de plant zelf nieuwe groeiplaatsen, een ingenieus mechanisme dat hem helpt in de stedelijke omgeving te overleven.
Muurleeuwenbekje (Cymbalaria muralis)
Grote weegbree (Plantago major)
Nummer 3: grote weegbree (Plantago major) is een trouwe metgezel van de mens: wegen, paden en betreden grond. Zijn stevige bladrozet doorstaat vertrapping zonder moeite. De lange bloemaren dragen talloze zaden die zich vasthechten aan schoenen en dieren, waardoor de plant zich overal verspreidt.
Grote weegbree (Plantago major)
Schijnspurrie (Spergularia spec.)
Nummer 4 – al een eerste verrassing – schijnspurrie (Spergularia spp.), een kleine, pionier van zoute en droge plekken. Ze lijkt wat op echte spurrie, vandaar de naam, maar onderscheidt zich door haar vlezig aandoende blaadjes en klierachtige beharing. Ondanks haar teer uiterlijk is ze verrassend zouttolerant en taai.
Schijnspurrie (Spergularia spp.)
Canadese fijnstraal (Conyza canadensis)
Nummer 5 – een tweede verrassing – Canadese fijnstraal (Conyza canadensis), een ijverige pionier die snel verstoorde gronden koloniseert, van braakliggende terreinen tot stoepen en spoorwegen. Oorspronkelijk uit Noord-Amerika verspreid, vormt ze hoge, slanke planten met fijne bloeihoofdjes. Haar licht pluizige zaden waaien met de wind mee, waardoor ze zich opvallend snel en wijd verspreidt.
Canadese fijnstraal (Conyza canadensis)
Hertshoornweegbree (Plantago coronopus)
Nummer 6: hertshoornweegbree (Plantago coronopus), een zoutminnende kustplant met sierlijk ingesneden bladeren die doen denken aan een hertengewei. Ze groeit vaak op schrale, betreden of zoute bodems. Haar lage rozet blijft dicht bij de grond.
Hertshoornweegbree (Plantago coronopus)
Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata)
Nummer 7 – minder verrassend en veel voorkomend in Brugge – gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata), een laag blijvende, kruipende plant die zich snel uitbreidt via wortelende stengels. Haar kleine, klaverachtige blaadjes en gele bloempjes verraden een grote vitaliteit. De zaaddozen “schieten” de zaden weg bij rijpheid, waardoor ze onverwacht nieuwe plekjes in potten, stoepen en muurranden weet te koloniseren.
Gehoornde klaverzuring (Oxalis corniculata)
Gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
Nummer 8 – het heeft nog lang geduurd – gewone melkdistel (Sonchus oleraceus), een snelle groeier van moestuinen, akkers en stedelijke rommelplekjes. Haar zachte bladeren verraden haar eetbaarheid, al krijgt ze zelden die kans. Bij kneuzing vloeit wit melksap. Met haar pluizige zaadhoofden reist ze gemakkelijk met de wind mee en duikt overal spontaan weer op. Een certitude in de stad.
Gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus)
Nummer 9 – een beetje verrassend dat ze in Brugge maar op de 9de plaats komt – muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus), een sierlijke, maar taaie muurbewoner die zich vastzet in voegen van oude stenen en stadsmuren. Deze exoot komt nog maar goed 20 jaar in Vlaanderen voor en komt oorspronkelijk uit Mexico.
Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus)
Steenkruidkers (Lepidium ruderale)
Nummer 10: steenkruidkers (Lepidium ruderale), een onopvallende maar doeltreffende pionier van stoepen, kiezels en verstoorde stedelijke grond. Haar kleine, groenige bloempjes vallen nauwelijks op, maar haar geur is bij kneuzing opvallend kruidig. Ze zaait zich vlot uit en weet zelfs in de kleinste voegen, waar weinig andere planten overleven, stand te houden.
Steenkruidkers (Lepidium ruderale)
Nummer 11 tot 20
Voor nummer 11 toto 20 beperken we ons tot de vermelding en een korte beschrijving. (De foto’s zijn wel degelijk genomen!)
Nummer 11 – eentje die je eerder in open stadshoekjes verwacht – klein streepzaad (Crepis capillaris) is een fijne, elegante composiet. Haar gele bloemhoofdjes lijken op miniatuurpaardenbloemen, maar staan op vertakte stengels met diep ingesneden bladeren. Na de bloei vormen zich pluizige zaadhoofdjes die met de wind mee zweven en zo nieuwe groeiplekken verkennen.
Nummer 12: gewoon biggenkruid (Hypochaeris radicata) is een stevige rozetplant van graslanden, bermen en verstoorde bodems. Haar gele bloemhoofdjes lijken op kleine paardenbloemen, maar staan op vertakte stengels met ruwe bladeren onderaan.
Nummer 13 – te boek als vrij zeldzaam maar algemeen voorkomend in Brugge – klein glaskruid (Parietaria judaica), een bescheiden maar hardnekkige muurbewoner die zich vastzet in voegen van oude stenen en kalkrijke muren. Haar onopvallende bloempjes verraden weinig, maar haar pollen zijn berucht voor allergieën. Ze groeit het hele jaar door en weet zelfs in de kleinste spleten stand te houden.
Nummer 14 – nog zo’n exoot die aan een ijzersterke opmars bezig is – bezemkruiskruid (Senecio inaequidens), een opvallende nieuwkomer uit zuidelijk Afrika die zich langs wegen en spoorlijnen in Europa heeft gevestigd. Ze bloeit langdurig met heldergele bloemhoofdjes, zelfs tot in de herfst. Dankzij haar sterke aanpassingsvermogen rukt ze snel op in verstoorde, droge en stenige milieus.
Nummer 15 – eindelijk! – paardenbloem (Taraxacum officinale), een van de bekendste en meest taaie planten van graslanden, bermen en stadstuinen. Haar gele bloem verandert na de bloei in een pluizenbol die met de wind meereist. De diepe penwortel maakt haar moeilijk uit te roeien.
Nummer 16 – die had ik zeker verwacht – liggende vetmuur (Sagina procumbens), een minuscule maar uiterst vasthoudende plant van stoepen, kasseien en vochtige spleten. Ze vormt lage, groene tapijtjes met fijne witte bloempjes die nauwelijks opvallen. Ondanks haar fragiele uiterlijk verdraagt ze betreding goed en weet ze zich stilletjes te nestelen op de meest onverwachte plekken in de stad.
Nummer 17: vogelmuur (Stellaria media), een zachte, snelgroeiende plant die het hele jaar door opduikt in tuinen, akkers en op stoepen. Haar tere stengels kruipen tussen andere planten door, terwijl bij zacht weer kleine witte sterbloempjes verschijnen. Ze is een trouwe metgezel van menselijke bewoning.
Nummer 18: een jonge kompassla (Lactuca serriola), een slanke wilde sla die zich vaak langs wegen en op verstoorde gronden vestigt. Haar bladeren staan opvallend verticaal gericht, meestal noord-zuid georiënteerd om felle zon te vermijden. Deze natuurlijke “kompasstand” geeft haar naam. Uit de stengel vloeit bitter melksap bij beschadiging.
Nummer 19 – steeds vaker opgemerkt in een stedelijk milieu – zachte ooievaarsbek (Geranium molle), een fijn behaarde, lage plant van bermen en urbane hoekjes. Haar kleine roze bloemen en zacht ingesneden bladeren geven haar een tere uitstraling. Toch is ze verrassend standvastig en zaait zich vlot uit. Na rijping schieten de vruchtjes hun zaden met kleine “sniperschoten” weg.
Nummer 20 – ook wat verrassend maar ik vind het toch steeds vaker in de stad – veldereprijs (Veronica arvensis) is een bescheiden maar wijdverspreide akker- en tuinplant die zich ook in stedelijke gebieden weet te vestigen. Haar kleine lichtblauwe bloempjes verschijnen vroeg in het jaar. Ze groeit laag bij de grond en voltooit snel haar levenscyclus.
Ziedaar het resultaat: de eerste twintig stadsplanten, geoogst met de lens tijdens een welgeteld 504-stappen-experiment richting de bakker. Veldstudie afgerond, missie volbracht.
Nu rest er nog maar één prioriteit: in rechte lijn naar huis om de sandwiches te redden — en mijn eigen maag te sussen. Wetenschap voedt de geest, maar de geur van ontbijtkoeken, chocolade en slagroom is onweerstaanbaar.
En ons befaamde straatmadeliefje? Dat liet zich op deze route niet vangen. Wie de gelaagdheid ervan zelf wil ontdekken, kan Google raadplegen, of Gemini aan het werk zetten voor een sfeervolle, artistieke impressie. Houd die creatie echter ver weg van ObsIdentify, want daar nemen ze uitsluitend genoegen met … wilde natuur.
Het bezemkruiskruid (Senecio inaequidens) is een opvallende plant uit de composietenfamilie die pas sinds het begin van de 20e eeuw in onze streken voorkomt. De eerste exemplaren doken rond 1920 op bij een wolverwerkingsbedrijf in België. Aanvankelijk werd de plant slechts sporadisch gezien, maar vanaf …
Brugge mag dan wereldberoemd zijn om zijn chocolatiers, maar geloof me: de bakkers doen er niet voor onder. De beste van allemaal bevindt zich op welgeteld 420 stappen van mijn voordeur – een zalige afstand, met drie voordelen die ik u niet wil onthouden: 1) De …
Het bezemkruiskruid (Senecio inaequidens) is een opvallende vaste plant uit de composietenfamilie, die relatief recentelijk zijn intrede heeft gemaakt in onze streken.
Rond 1900 werden de eerste exemplaren van het bezemkruiskruid ontdekt bij een wolverwerkingsbedrijf in België – een onschuldig begin van wat later een razendsnelle expansie zou worden. Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw begon de plant aan een opmerkelijke versnelling in zijn kolonisatie.
Invasieve soort
In de afgelopen jaren heeft het bezemkruiskruid in Europa een verbluffend snelle opmars gemaakt. Zelfs in de duinen langs de kust wint de soort terrein en is het in een snel tempo steeds algemener geworden. Wat ooit zeldzaam was, wordt nu een groeiende zorg: de plant bedreigt inheemse soorten en heeft zich in slechts dertig jaar ontpopt tot een krachtige indringer in dit kwetsbare ecosysteem. Het bezemkruiskruid lijkt onstuitbaar, terwijl het langzaam maar zeker de inheemse flora verdringt.
Aanvankelijk werden de zaden meegevoerd met woltransporten, maar al snel vonden ze hun weg langs spoorlijnen en snelwegen. Vandaag de dag wordt het bezemkruiskruid gezien als een van de meest agressieve invasieve plantensoorten, die in razend tempo terrein wint. Tegenwoordig komt bezemkruiskruid vrijwel overal in Vlaanderen voor en ook in de stad lijkt de plant het best naar zijn zin te hebben.
Bezemkruiskruid op de Koningsbrug te Brugge
Naamgeving
De Nederlandse naam bezemkruiskruid is afkomstig van de vorm, door de sterke vertakking lijkt een uitgetrokken plant wel wat op een bezem.
De naam kruiskruid is misschien ontstaan door de kruisgewijs staande bladen, maar meer waarschijnlijk is dat het een verbastering is van de Duitse naam ‘Greiskraut’. Senecio komt van senex (grijsaard), omwille van het spoedig zichtbaar wordende vruchtpluis. De soortaanduiding “inaequidens” betekent ‘ongelijke tanden’.
Het is van alle andere soorten binnen de geslachten Jacobaea en Senecio (o.a. jakobskruid en kruiskruid) te onderscheiden door de lijnvormige bladeren.
Voorkomen
Het bezemkruiskruid voelt zich thuis in wilde, ongetemde landschappen, waar het moeiteloos zijn plek verovert tussen grillige rotspartijen, uitgestrekte grasvlakten en zelfs de zanderige duinen. Zijn bijna onzichtbare, lichtgewicht zaden worden met gemak door de wind meegevoerd, waardoor ze overal kunnen landen. Het is dan ook geen wonder dat dit bijzondere plantje zelfs in de stenen jungle van de stad opduikt: op verweerde stadsmuren, oude bruggetjes, trottoirs en langs straten. Het lijkt wel alsof de stad zelf dit hardnekkige groen uitnodigt om er een nieuw thuis van te maken.
In een Duitse blog schreef Richard Gleim over dit plantje:
“Zwervend over de wereld zonder voeten of benen te bezitten, zonder vleugels of hart of centraal zenuwstelsel. Een zwerver die slechts kan blijven bestaan wanneer hij, vast geworteld in de aarde, zijn leven gestalte geeft, gevoed door lucht, water, zon en oplosbare mineralen. Het gaat om een plant… Een plant die onze ouders in hun jeugd nauwelijks tegenkwamen, want ze kwam hier op onze breedtegraad simpelweg niet voor.”
Zonneklopper
Bezemkruiskruid langs de autoweg
Deze plant is een ware overlevingskunstenaar, perfect uitgerust om te gedijen met amper een druppel water – zijn smalle bladeren verraden zijn geheim. In steden weet hij de meest verrassende plekken te veroveren: tussen de voegen van voetpaden, op verweerde bruggen en zelfs langs hectische autowegen. Hij laat zich niet tegenhouden, duikt op in verkeersknooppunten, kale kiezelvlaktes, scheuren in het asfalt en zelfs in dakgoten, waar bijna geen aarde te vinden is. Maar er is één onmiskenbare voorkeur: het bezemkruiskruid volgt altijd de zon, waar het in het volle licht tot leven komt.
Giftig
Naast zijn verbazingwekkende snelle opmars, schuilt er een ander gevaar in het bezemkruiskruid: zoals vrijwel alle planten van het geslacht Senecio bevat de plant pyrrolizidine alkaloïden. Normaal zou dit minder zorgwekkend zijn als er natuurlijke vijanden waren, maar die heeft het bezemkruiskruid nauwelijks. Hoewel konijntjes er soms aan knabbelen, laten ze het meestal snel links liggen – het is duidelijk geen favoriet op hun menu. Slakken hebben er ook geen interesse in, en bovendien blijkt de plant opmerkelijk resistent tegen de meeste schimmelziekten. Deze combinatie maakt het bezemkruiskruid een hardnekkige en potentieel gevaarlijke indringer in ons ecosysteem.
Het is bekend dat pyrrolizidine-alkaloïden geproduceerd door Senecio zich ophopen in wortels en dat kan mede de reden zijn waarom de plant zich gemakkelijk verspreidt. Deze chemicaliën zijn namelijk giftig voor veel dieren, zoals vee. Het wordt vaak vermeden door grazende dieren, wat bijdraagt aan het succes van de plant en zijn concurrentievoordeel ten opzichte van andere soorten.
Een probleem
Voor zover bekend is er geen ervaring met specifieke bestrijdingsmaatregelen en zijn er geen monitoringprogramma’s voor deze soort. Het is uitzonderlijk resistent tegen herbiciden.
Menselijke activiteit heeft geleid tot een explosieve toename van invasieve soorten wereldwijd. De redenen voor de introductie van deze niet-inheemse planten en dieren lopen sterk uiteen. Soms gebeurt het met opzet – denk aan pogingen om plagen te bestrijden, tuinen te verfraaien, kustlijnen te versterken of ecosystemen te herstellen. Maar net zo vaak zijn het onbedoelde bezoekers: ontsnapt uit tuinen en tuincentra, of ongemerkt meegelift met reizigers en toeristen. Op deze manier verspreiden ze zich stilletjes, met ingrijpende gevolgen voor lokale natuur en biodiversiteit.
14 juli 2024. Wat een dag! Vandaag hebben we opnieuw de stad verkend op onze eigenzinnige safari, waarbij onze focus vooral lag op de verbazingwekkende diversiteit aan planten die we op oude muren en tussen de straatstenen aantroffen. Tot onze grote verrassing ontdekten we een …
“Alles wat de mens nodig heeft voor gezondheid en genezing is door God in de natuur geleverd; de uitdaging van de wetenschap is om het te vinden.” (Paracelsus) Met dit citaat in het achterhoofd ging ik opnieuw – nu al voor de zesde keer – …