Vlasbekje – een vrijpostige verschijning

Wie door de oude straten van Brugge wandelt, ontdekt hier en daar naast een voordeur nog een merkwaardig overblijfsel uit vervlogen tijden: een ijzeren laarzenkrabber, vaak aangebracht in een kleine uitsparing onderaan de gevel. Ooit was het een nuttig hulpmiddel. Toen de straten nog niet overal verhard waren en regen ze in modderpoelen veranderde, kon men er bij het thuiskomen schoenen en laarzen aan schoonkrabben. Zo bleef het vuil buiten de deur.
Vandaag hebben de meeste laarzenkrabbers hun oorspronkelijke functie verloren. Sommige verdwenen, andere bleven bewaard als stille getuigen van het dagelijkse leven van weleer. Maar soms krijgt zo’n vergeten hoekje onverwacht een nieuw leven.
In de Engelsestraat, midden in de Brugse binnenstad, ontdekte ik afgelopen zomer een onbekende plant die zich spontaan had gevestigd in zo’n oude laarzenkrabber. Tussen het verweerde ijzer, de gevel en de straatstenen had ze blijkbaar voldoende ruimte gevonden om wortel te schieten.
Aanvankelijk wist ik niet goed wat daar groeide. Naarmate de stengels langer werden en de smalle blaadjes zich ontwikkelden, begon ik de plant te herkennen. Het moest een vlasbekje zijn! Wekenlang bleef ik de plant volgen. Ze groeide onverstoorbaar verder en onttrok de oude laarzenkrabber bijna helemaal aan het zicht. Alleen de bloemen lieten op zich wachten.
Toen ik half oktober opnieuw ging kijken, was er nog geen bloem te bespeuren. Ik begon me zelfs af te vragen of ze dit jaar nog tot bloei zou komen.
Maar eind oktober wachtte mij een aangename verrassing. Tussen het weelderige groen waren sierlijke, zachtgele bloemen verschenen, elk met een warm oranjegeel hart. Terwijl de herfst al volop zijn intrede had gedaan en veel andere planten hun bloeitijd achter de rug hadden, stond dit vlasbekje er nog verrassend fris en uitbundig bij.
Een opmerkelijke laatbloeier, midden in de historische binnenstad!
Waar ooit modder van laarzen werd geschraapt, bloeien nu, op de drempel van november, kleine gouden bloemen.

Een kruid uit oude kruidenboeken
Het vlasbekje (Linaria vulgaris) behoort tot de weegbreefamilie (Plantaginaceae). Het is een overblijvende plant met smalle bladeren en gele, gespoorde bloemen met een opvallend oranjegeel gehemelte.
Onze voorouders kenden het niet alleen als wilde plant, maar ook als geneeskrachtig kruid.
In Den groten Herbarius, een kruidenboek dat in 1514 in Antwerpen verscheen, werd het vlasbekje ‘orijncruydt’ genoemd. Het werd gebruikt bij moeilijkheden met het wateren, zowel bij mensen als bij dieren.
De Duitse arts en botanicus Leonhart Fuchs beschreef de plant in zijn kruidenboek uit 1543, onder de naam Lynkraut. Hij vermeldde onder meer haar vochtafdrijvende werking en gebruik tegen geelzucht. Opmerkelijk is dat Fuchs ook muren en omheiningen als groeiplaatsen noemde. Bijna vijf eeuwen later lijkt het vlasbekje in de Brugse Engelsestraat zich nog altijd thuis te voelen op dergelijke plekken.
In hetzelfde kruidenboek vinden we trouwens een bijzonder fraaie historische afbeelding van het vlasbekje.
Rembert Dodoens schreef in zijn beroemde Cruijdeboeck uit 1554:
“Wildt vlas ghesoden en ghedroncken opent de oude koude verstoptheydt van de lever ende milte, het doet oock water maecken ende gheneest de druppelsieckte.”
Volgens Dodoens zou gekookt ‘wild vlas’ dus helpen bij verstoppingen van lever en milt, de urineproductie bevorderen en waterzucht genezen.
Het gebruik tegen geelzucht hing vermoedelijk samen met de signatuurleer: men meende dat de gele bloemen een aanwijzing vormden voor de geneeskrachtige werking tegen die aandoening.
In de volksgeneeskunde werd het vlasbekje daarnaast gebruikt bij diarree, blaas- en galaandoeningen en in zalven tegen aambeien. Het zijn historische toepassingen, geen bewijs van geneeskrachtige werkzaamheid.

Van vlas tot leeuwenbek
De naam vlasbekje verwijst naar de smalle bladeren, die enigszins op die van vlas lijken. Ook de wetenschappelijke geslachtsnaam Linaria is afgeleid van het Latijnse linum, dat vlas betekent.
De bloem zelf sprak nog sterker tot de verbeelding. Wanneer men haar voorzichtig samendrukt, opent ze zich als een klein bekje. Vandaar volksnamen als ‘leeuwebekje’, ‘gaperkens’ en ‘schaapmuilkens’.
Elders zag men iets heel anders in de bloem. In Waterland noemde men de plant ‘schoen-en-muiltjes’. Een mooi toeval: uitgerekend een plant met die volksnaam groeit nu bij een Brugse laarzenkrabber!
Talrijke andere volksnamen werden verzameld door Heukels in zijn Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten.
Ook de Engelse naam toadflax, letterlijk ‘paddenvlas’, kent een raadselachtige geschiedenis. Volgens een oude verklaring zouden padden zich graag tussen de stengels verschuilen. De precieze oorsprong van de naam blijft onzeker. De Elisabeth C. Miller Library bespreekt verschillende verklaringen.

Een bloem met een gesloten deur
De bloemen van het vlasbekje hebben nog een bijzonderheid. Hun onderlip sluit de toegang tot de nectar grotendeels af. Vooral krachtige insecten, zoals hommels, kunnen de bloem openwrikken.
Sommige bezoekers nemen echter een sluipweg en bijten een gaatje in de lange bloemspoor om rechtstreeks bij de nectar te komen. Ook in de bloemenwereld blijkt niet iedereen zich aan de gebruikelijke toegangswegen te houden.

Tegen kwade geesten en andere ongemakken
Het vlasbekje beperkte zich niet tot de volksgeneeskunde. Volgens oude overleveringen bood het ook bescherming tegen kwade geesten.
Een dampend kruidenbad onder het bed zou betoveringen afweren. Met een zalf van het kruid ingesmeerde handen zouden zelfs boze geesten kunnen verdrijven uit alles wat men vervolgens aanraakte. Waar en wanneer deze gebruiken precies voorkwamen, is niet bekend.
Ook in het huishouden kende men het vlasbekje. Het sap werd gebruikt tegen zomersproeten, het kruid zou wasgoed een gelige tint geven en een aftreksel, gekookt in melk, moest vliegen en andere insecten verjagen.
Het zijn merkwaardige herinneringen aan een tijd waarin planten een veel grotere rol speelden in het dagelijkse leven en waarin geneeskunde, volksgeloof en bijgeloof vaak in elkaar overvloeiden.

Een vrijpostige verschijning
In de negentiende eeuw was de zogenaamde bloementaal bijzonder populair. Aan bloemen en planten werden symbolische betekenissen toegekend, zodat men met een zorgvuldig gekozen boeket gevoelens kon uitdrukken of zelfs een verborgen boodschap kon overbrengen.
Ook het vlasbekje kreeg in die bloementaal een eigen betekenis. Philippe van Wersch vermeldt in zijn Folklore van wilde planten in België en Nederland het woord ‘veronderstelling’. Dat lijkt een letterlijke vertaling van het Engelse presumption, waarmee het vlasbekje in de victoriaanse bloementaal werd geassocieerd. Maar dat Engelse woord heeft ook een andere betekenis. In de bloementaal ligt de betekenis ‘aanmatiging’ of ‘vrijpostigheid’ meer voor de hand dan ‘veronderstelling’.
En eigenlijk past die vrijpostigheid uitstekend bij het vlasbekje.
Ook langs drukke verkeerswegen laat het vlasbekje zich niet zomaar opzijzetten. Tussen asfalt en betonnen boordstenen, waar auto’s voorbijrazen en nauwelijks plaats lijkt voor enig groen, weet het toch wortel te schieten. Onverstoorbaar richt het zijn slanke stengels op en toont het zijn zachtgele bloemen. Alsof het zich van het drukke verkeer en de weinig uitnodigende omgeving helemaal niets aantrekt.
Het vlasbekje laat zich niet uitnodigen, maar kiest zelf zijn plekje. Zelfs een oude laarzenkrabber blijkt goed genoeg.
Of die eigenschap ooit aan de oorsprong lag van zijn symbolische betekenis, weten we niet. Maar wie eind oktober door de Brugse Engelsestraat wandelde, kon zich er wel iets bij voorstellen.
Daar had het vlasbekje zich gevestigd bij een voorwerp dat ooit modder en vuil buiten de deur moest houden. Terwijl de herfst de stad in haar greep kreeg, verschenen tussen de slanke stengels alsnog de zachtgele bloemen.
De laarzenkrabber heeft zijn oorspronkelijke taak verloren, maar biedt nu onderdak aan een plant die zich van menselijke bedoelingen weinig aantrekt.
Een behoorlijk vrijpostige verschijning dus!

Bronnen en meer informatie
- Philippe van Wersch, Folklore van wilde planten in België en Nederland (1979), p. 158–160.
- Den groten Herbarius, Antwerpen, 1514.
- Rembert Dodoens, Cruijdeboeck, 1554.
- Leonhart Fuchs, New Kreüterbuch (1543), ‘Von Lynkraut’.
- Leonhart Fuchs, historische afbeelding van vlasbekje (1543).
- Heukels, Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten.
- Elisabeth C. Miller Library, ‘Why is Linaria called toadflax?’.
- Jachuła, J., Konarska, A. & Denisow, B. (2018), ‘Micromorphological and histochemical attributes of flowers and floral reward in Linaria vulgaris’, Protoplasma, 255, 1763–1776.

Link naar de 16 meest recente artikelen
- Vlasbekje – een vrijpostige verschijning
- Eikvaren verkozen tot stadsplant van de maand november!
- Het muurleeuwenbekje – jullie foto’s
- Kies de stadsplant van de maand voor november
- Bosaardbei – een buitenbeentje in de stad
- Een bloemsteel die van gedachten verandert
- Pluimgierst – een grassoort met een rijke geschiedenis
- En de stadsplant van de maand oktober is…
- Plantenquiz
- De zeeaster, plant van twee werelden
- Resultaten van de enquête
- Kies de “stadsplant van de maand” voor oktober
- Beklierde nachtschade… een brokje geschiedenis
- Uw mening over Stadsplanten.be telt!
- Onkruid voor mijn deur? Moet ik het verwijderen?
- Wilgenroosje … een romantisch verhaal
Ontdek meer van Stadsplanten
Abonneer u om de nieuwste berichten in uw inbox te ontvangen.
2 gedachten over “Vlasbekje – een vrijpostige verschijning”
Geef een reactie Reactie annuleren
Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Meer informatie over hoe uw reactie gegevens worden verwerkt.

















Dag Marc, wat een prachtig gedocumenteerd artikel! Ik kende het vlasbekje van zien maar wist er eigenlijk niets over. Nooit vermoed dat er zo’n geschiedenis en oude gebruiken achter schuilden.
De verwondering van ineens te ontdekken wat jouw vondst in de laarzenschraper was moet mooi geweest zijn…
Dankjewel Katrien!