Ik kreeg vandaag het herfstnummer van het magazine “Kruidentaal” toegestuurd. Op pagina 26 tot 29 is mijn artikel over de “Gebedskaarten voor planten” te vinden. De Groene draad die dit nummer verbindt is balans en evenwicht. Precies dat wat de herfst ons zo duidelijk laat …
Van bijvoet (Artemisia vulgaris) wordt algemeen aangenomen dat het als eerste voorkomt in de “Nigon Wyrta Galdor” en daar mucgwyrt (mucgƿyrt) wordt genoemd. De Nigon wyrta galdor is een Oudengelse bezweringstekst bedoeld om etterende wonden te genezen. De spreuk is vastgelegd in één enkel manuscript, …
Bijvoet (Artemisia vulgaris L.) is een wijdverspreide, kruidachtige, vaste plant die behoort tot de composietenfamilie (Asteraceae of Compositae). Deze robuuste en aromatische plant, ook wel bekend als de “moeder der kruiden“, is al eeuwenlang een vertrouwd beeld langs wegen, op dijken en op ruige, onbewerkte gronden in Europa en Azië.
Uiterlijke kenmerken
De uiterlijke kenmerken van bijvoet maken de plant, ondanks zijn onopvallende bloei, goed herkenbaar. De basis van deze forse plant wordt gevormd door een krachtig en uitgebreid wortelstelsel met een houtige wortelstok. Vanuit deze wortelstok verspreidt de plant zich met ondergrondse uitlopers, wat verklaart waarom bijvoet vaak in dichte, dominante groepen groeit.
De stevige, rechtopstaande stengels kunnen een indrukwekkende hoogte tot anderhalve meter of meer bereiken. Ze zijn vaak rood- tot paarsachtig aangelopen, voelen taai aan en hebben duidelijke lengtegroeven. Naar de top toe vertakken de stengels zich om de bloeiwijze te dragen.
Het meest karakteristieke deel van bijvoet zijn de bladeren. Deze zijn diep ingesneden (veerdelig), wat ze een varenachtig uiterlijk geeft. Een essentieel herkenningspunt is het sterke kleurcontrast tussen de boven- en onderzijde: de bovenkant is donkergroen en nagenoeg kaal, terwijl de onderkant bedekt is met een opvallende, witviltige beharing. Bij kneuzing komt een sterke, kruidige en aromatische geur vrij.
Rembert Dodoens (1517 tot 1585)
In zijn “Cruijdeboeck” uit 1554 (deel 1 capitel 9, bladzijde 19-23) lezen we onder andere:
“Die Byvoet heeft breede seer ghesneden bladeren/ den bladeren van Alsene schier ghelijck/ maer mindere/ sonderlinghe die aen die stelen voortcomen/ ende die boven van coluere bruijn gruyne/ ende aen die onderste zijde aschvervwich wit zijn. Sijn stelen zijn lanck en recht met veele aenwassende andere cleyn steelkens. Sijn bloemen zijn cleyn teere ronde knoppekens/ lancx die stelen ghelijck aen die Alsene wassende/ die van ruecke als zy beghinnen rijp te wordene der Marioleyne wat ghelijck zijn. Die wortelen zij houtachtich met veel aenhanghende faselinghen. Van desen cruyde es tweederleye gheslacht/ die alleen van coluere verscheyden zijn. Dat eene heeft bruyn roode stelen en bloemen/ wordt rooden Bijvoet gheheeten. Dat andere heeft wit gruene stelen/ en es witten Byvoet ghenaempt/ anders in alle manieren malcanderen ghelijck.
Voortplanting
In de nazomer, van juli tot september, bloeit de plant met kleine en onopvallende bloemhoofdjes. Deze geelachtige tot roodbruine hoofdjes zijn slechts enkele millimeters groot en staan verzameld in dichte, vertakte pluimen aan het einde van de stengels. Bijvoet heeft enkel buisbloemen en mist de opvallende lintbloemen die veel andere composieten kenmerken, wat te verklaren is doordat de bestuiving door de wind plaatsvindt. Na de bloei ontwikkelen zich kleine nootjes als vruchten, die geen vruchtpluis hebben en zich via wind en water verspreiden.
Bijvoet is een hemikryptofyt. Dit betekent dat de plant de winter overleeft met knoppen die zich net op of onder het grondoppervlak bevinden, beschermd door aarde en strooisel. In de herfst sterven de bovengrondse delen af, en in het voorjaar schieten er nieuwe stengels op vanuit de wortelstok. De voortplanting gebeurt zowel geslachtelijk (via zaad) als vegetatief (via de wortelstokken). Dit laatste stelt de plant in staat om zich snel lokaal uit te breiden.
Bijvoet
Voorkomen
Bijvoet komt van nature voor in Europa, Azië en Noord-Amerika, en wordt vaak aangetroffen langs wegen, op verstoorde gronden en in graslanden. De plant groeit bij voorkeur op goed doorlatende, kalkrijke gronden, hoewel hij zich ook in andere soorten bodem kan vestigen. Bijvoet is te herkennen aan zijn aromatische geur, vooral wanneer de bladeren gekneusd worden.
Ecologische rol
Ecologisch gezien is bijvoet een belangrijke plant. Als pioniersoort helpt hij bij het stabiliseren van kale grond. Daarnaast is hij een waardplant voor diverse insecten. Meer dan 70 soorten microvlinders, waaronder diverse bladmineerders en motten, zijn voor hun voortplanting afhankelijk van bijvoet. Ook andere insecten vinden beschutting en voedsel in de dichte groei van de plant.
Gebruik in de kruidenkunde
Bijvoet wordt al eeuwenlang gebruikt in de traditionele geneeskunde. Het staat bekend om zijn heilzame werking bij spijsverteringsproblemen, zoals opgeblazen gevoel en maagkrampen. Het wordt ook toegepast om de menstruatiecyclus te reguleren en heeft mild kalmerende eigenschappen die kunnen helpen bij angst of slapeloosheid. Daarnaast wordt bijvoet gebruikt om de eetlust te bevorderen en de spijsvertering te ondersteunen. De bladeren kunnen als infusie worden gedronken of extern worden gebruikt als kompres.
Dioscorides en de “Materia Medica”
“De Materia Medica”, geschreven in de 1e eeuw n.Chr., wordt algemeen beschouwd als de basis van de westerse kruidengeneeskunde. Dit werk, dat meer dan 1.000 jaar lang de standaard was voor medische kennis, bood een systematische classificatie en beschrijving van honderden planten en hun medicinale toepassingen
Dioscorides nam bijvoet op in zijn werk, met name in Liber III, caput 117. De plant werd hierin specifiek beschreven in de context van de behandeling van “vrouwenkwalen”, een term die in die tijd een breed spectrum van gynaecologische aandoeningen omvatte. Dit gebruik is opmerkelijk consistent en vindt weerklank in de etymologische link van de plant met de godin Artemis.
Plinius de Oudere en de “Naturalis Historia”
Een andere cruciale figuur uit de Romeinse oudheid is Plinius de Oudere (23-79 n.Chr.), wiens encyclopedische ‘Naturalis Historia‘ een kolossale bundeling van kennis uit die tijd vormt. Hoewel de geleverde biografieën van Plinius geen details over bijvoet bevatten, bevestigen andere bronnen expliciet dat hij over het kruid schreef. Deze informatie duidt op een wijdverspreide kennis van de plant in de Romeinse cultuur, ook buiten louter medische kringen.
De Anglo-Saksische “Negenkruidenspreuk”
De ‘Negenkruidenspreuk‘ (Nigon Wyrta Galdor) is een Oudengelse magische spreuk die de complexe overgang van heidense naar christelijke rituelen in de vroege middeleeuwen perfect illustreert. De spreuk beschrijft een ceremonie waarbij een zalf wordt gemaakt van negen verschillende kruiden om vergif/etter en ziekte te verdrijven. De recitatie van het gedicht is een samensmelting van elementen, waarbij zowel de Germaanse oppergod Wodan als christelijke figuren zoals Christus aangeroepen worden. Bijvoet wordt in de Oudengelse ‘Negenkruidenspreuk’, aangesproken als één van de oudste en krachtigste kruiden (mucgwyrt). Daarover hebben we het uitgebreid in deel 2 over bijvoet.
Genezing en Vruchtbaarheid
De rituele toepassingen van bijvoet waren vaak onlosmakelijk verbonden met zijn medicinale eigenschappen. Vooral voor vrouwen was het een belangrijk kruid. Het werd gebruikt bij rituelen om de bevalling te vergemakkelijken en de vruchtbaarheid te bevorderen. De Latijnse geslachtsnaam Artemisia is een verwijzing naar de Griekse godin Artemis, de beschermvrouwe van de jacht, de wilde natuur en de geboorte.
Weer lezen wij bij Dodoens:
“Cracht en werckinghe: Arthemisia in water ghesoden es seer goet den vrouwen/ om daer over oft in te sittene in een bat oft sweetcuype/ want in dier manieren ghebruyckt/ zoo doetet den vrouwen huer natuerlijcke cranckheyt weder comen/ ende drijft af die secundine ende die doode vruchten. Dijsghelijck werck doet oock dat sap met Myrrha ghemenghelt ende in die moeder ghedaen. In summa Arthemisia opent die moeder die ghesloten es/ zy es goet ende behulpich om den steen te brekene ende te doen rijsene/ ende zy doet die urine haeren loop werder hebben.
Rituele en spirituele betekenis
Bijvoet heeft een diepe spirituele betekenis in verschillende culturen. In de Europese folklore wordt het vaak geassocieerd met bescherming en het afweren van kwade geesten. Het werd gebruikt om huizen te beschermen door het aan de deuren of in kamers op te hangen. In sommige rituelen wordt bijvoet ook aangestoken als wierook om ruimte te zuiveren en negatieve energie te verdrijven. De plant heeft een bijzondere link met de maan en wordt vaak geassocieerd met de vrouwelijke energie en intuïtie. In magische tradities wordt bijvoet gezien als een krachtig hulpmiddel voor meditatie en dromen, met de gedachte dat het de dromen helderder maakt.
Bijvoet
Let op!
Bijvoet bevat werkzame stoffen die haar werking als bitterstof, spijsverteringskruid en menstruatiebevorderend middel ondersteunen. In de moderne fytotherapie wordt ze nog steeds toegepast, vooral in thee,tinctuur of etherische olie — zij het met voorzichtigheid vanwege het thujongehalte. Langdurig of overmatig gebruik wordt afgeraden, zeker bij zwangerschap of epilepsie.
Deze site vervangt geen deskundig advies voor medische behandeling. Raadpleeg altijd een deskundig zorgverstrekker of arts. Ook wat betreft de op deze website aangeboden culinaire recepten mag u deze niet beschouwen als deskundig advies. Daarvoor dient u zich te richten tot een gehomologeerde arts, fytotherapeut of diëtist. Lees ook onze volledige disclaimer: https://www.stadsplanten.be/disclaimer-2/
Heilzame kruiden groeien vaak dichter bij ons dan we denken, en duizendblad (Achillea millefolium) is daar een perfect voorbeeld van. Deze alledaagse plant heeft door de eeuwen heen een veelzijdig gebruik gekend, en wordt wel aangeduid als een kruid voor ‘duizend-en-één dingen’. De naam Achillea millefolium heeft een fascinerende …
De Nigon Wyrta Galdor, beter bekend als de “Nine Herbs Charm” of “Nine Plants Spell”, is een Oudengels genezingsgebed – een krachtige bezwering om wonden te helen. Deze rituele tekst maakt deel uit van de Lacnunga, een verzameling Angelsaksische teksten en gebeden van uiteenlopende aard. …
Toen ik onlangs aan het grasduinen was voor mijn nieuwe Facebookpagina “De Kruidenfluisteraar”, stootte ik op een intrigerend weetje: gewone kamille zou één van de “negenkruiden” zijn. De wat…? Mijn aandacht was meteen gewekt. Wat waren die mysterieuze negen?
Nieuwsgierig dook ik dieper in de wortels van dit verhaal — en belandde al snel in een duizend jaar oud handschrift vol spreuken, remedies en rituele formules: de “Nigon Wyrta Galdor“, ofwel de “Nine Herbs Charm”. Een magische tekst uit het Angelsaksische Engeland, waarin negen planten worden aangeroepen om ziekte, vergif en kwade invloeden te verdrijven. Een bezwering zo oud als de vroege middeleeuwen — en toch nog altijd krachtig genoeg om de moderne lezer te betoveren…
Benieuwd welke kruiden naast kamille in deze magische negen stonden? En wat ze betekenen voor ons vandaag? Lees verder — en laat je meevoeren naar een wereld waar planten spreken, en woorden genezen.
Het lacnunga handschrift
Ver weg in de nevels van het Angelsaksische verleden, ergens in de tiende eeuw of begin elfde eeuw, werd een betoverend kruidenlied opgetekend in een manuscript dat vandaag bekendstaat als het “Lacnunga” – een collectie van magische spreuken, medische recepten en heidens-christelijke genezingsformules. Onder de teksten in dit boek schittert één bijzonder gedicht: de “Nigon Wyrta Galdor”, ofwel de Betovering van de Negen Kruiden.
Het is een lied, een bezwering, een ritueel en een recept tegelijk. Het mengt Oudengels met magisch denken, geneeskunst met godenverhalen, en wortelt diep in zowel voorchristelijke als christelijke tradities. In dit bezweringslied roept de spreker de kracht aan van negen heilige planten – ieder met een eigen stem, kracht en karakter – om ziekte, vergif en geestelijke kwelling te verdrijven.
De “Nine Herbs Charm” blijft tot de verbeelding spreken, eeuwen nadat een anonieme schrijver de tekst neerschreef. Deze tekst, opgenomen in codex MS Harley 585 (folio’s 160r tot 163v), wordt bewaard in de British Library en werd in de 19de e eeuw voor het eerst zo genoemd door Cockayne (1864–1866).
Nota: De kruidennamen blijven tot vandaag onderwerp van debat – hun exacte naam en/of betekenis is even mysterieus als de tekst zelf. Diverse bronnen geven een andere identificatie. (Zie verder)
Hoe oud is het?
De tekst werd rond het jaar 1000 opgeschreven, maar de inhoud is mogelijk veel ouder, geworteld in mondelinge traditie. Er worden sporen van Germaanse mythologie in gevonden – de god “Wōden” (Oudengelse vorm van Odin) verschijnt in het lied als helende figuur, die met magische twijgen het gif van een slang verslaat. Tegelijk is er ook sprake van christelijke elementen, zoals het gebruik van kruisen, heilig water en zegenende woorden.
De Nine Herbs Charm is dus geen puur medische tekst, maar een rituele genezingsformule: woorden die niet alleen een ziekte beschrijven, maar haar bezweren, onderdrukken en transformeren.
Welke negen kruiden worden bezongen?
De exacte identificatie is niet in steen gebeiteld. De Oudengelse namen geven ons richting, maar geen zekerheid. Toch hebben generaties van kruidkundigen, taalkundigen en rituelenzoekers zich gewaagd aan een vertaling. Sommige bronnen geven een andere reeks namen. Van deze vijf kruiden zijn we vrij zeker: bijvoet, weegbree, brandnetel, duizendblad en kamille. Over de andere vier bestaat geen consensus, vooral wat betreft de precieze soort (bijvoorbeeld venkel, betonie, alant en waterkers).
(Bron: British Library Harley MS 585)
Mucgwyrt – Bijvoet (Artemisia vulgaris) Bijvoet is de eerste en meest eerbiedwaardige plant in de bezwering. Ze werd beschouwd als een beschermend kruid, dat vrouwen, reizigers en zieken tegen boze invloeden behoedde.
Attorlaðe – Weegbree (Plantago major) De naam betekent letterlijk ‘gif-verdrijver’. Weegbree was beroemd om haar wondhelende werking en werd gebruikt tegen beten, zweren en vergiftiging. Ze wordt in de tekst aangesproken als een machtige genezeres.
Stune – Waterkers (Nasturtium officinale) of veldkers (Cardamine spp.) Een pittig, scherp kruid dat waarschijnlijk werd ingezet tegen ontstekingen. De exacte soort is niet helemaal zeker, maar het gaat duidelijk om een scherp smakende, geneeskrachtige plant.
Wergulu – Brandnetel (Urtica dioica) Brandnetel komt voor in heel Europa en werd in de volksgeneeskunde gebruikt tegen reuma, koorts en huidklachten. In de bezwering staat ze symbool voor zuiverende kracht en bescherming.
Mægðe – Kamille (Matricaria chamomilla of Anthemis nobilis) Kamille is kalmerend, verzachtend en ontstekingsremmend. Al in de oudheid werd ze gewaardeerd om haar werking op maag, zenuwen en huid.
Gearwe – Duizendblad (Achillea millefolium) Deze plant is bloedstelpend en herstellend. Volgens de mythologie zou Achilles hem hebben gebruikt om wonden van soldaten te helen — en dat sluit perfect aan bij haar rol in de bezwering.
Fille (Finule) – Venkel (Foeniculum vulgare) Venkel werd vooral ingezet tegen indigestie, krampen en ademhalingsproblemen. Ook zou ze bescherming bieden tegen het boze oog.
Eolone – Waarschijnlijk alant (Inula helenium) Dit is de minst zekere identificatie. Alant werd gebruikt tegen hoest, longziekten en spijsverteringsproblemen. In de tekst is haar naam duidelijk aanwezig, maar de exacte soort blijft onderwerp van discussie.
Betonica – Betonie (Stachys officinalis) Betonie was al bij de Romeinen een geliefd geneeskruid. Ze gold als krachtig middel tegen hoofdpijn, angst, boze dromen en geestelijke onrust.
Wat maakt deze tekst zo bijzonder?
De Nine Herbs Charm is uniek omdat het geen puur medisch voorschrift is, maar een levend ritueel. De kruiden worden niet louter genoemd, ze worden aangesproken, opgeroepen, geprezen. Ze hebben een ziel, een persoonlijkheid, een rol in het grote web van genezing. De woorden zijn bedoeld om uitgesproken te worden, met overtuiging en eerbied. Precies wat een ‘kruidenfluisteraar’ hoort te doen.
Het is een bezwering die het lichaam, de geest en de wereld tegelijk aanspreekt – en misschien daarom vandaag nog zo aanspreekt. In een tijd waarin veel mensen opnieuw zoeken naar verbondenheid met natuur, ritueel en heling, spreken de woorden van dit duizend jaar oude lied nog steeds tot de verbeelding.
De kruidenfluisteraar spreekt…
We deden zelf een poging om de tekst een eigentijdse hertaling (interpretatie) te geven, die ritueel kan worden uitgesproken.
“Ik ben de Fluisteraar van de Kruiden. Ik spreek met de taal die nog leeft in wortels en wind. Negen zijt gij, helpers van het hart, wachters van het lichaam. Oud zijt gij, krachtig, levend. Kom nu, sta op, laat uw stem klinken.
Bijvoet, wachter van de wegen, zwerver tussen droom en werkelijkheid. Bescherm mij waar ik ga, zuiver mijn geest, bevrijd mijn pad. Ik fluister jouw naam… Mucgwyrt.
Weegbree, sterke beschermer, tegen het vergif dat door de wereld zweeft. Jij bent de hoogste onder de kruiden, van het geslacht der planten. Geboren om het gif te weerstaan, om te waken tegen het naderend kwaad en boze machten af te weren. Ik fluister jouw naam… Attorlaðe.
Waterkers, krachtig, scherp van geur, brengt genezing en verdrijft het gevaar. Bescherm mij tegen pijn en beten, een schild dat waakt en veilig houdt. Ik fluister jouw naam… Stune.
Brandnetel, wachter van vuur en ijzer, met stekende tong en gloeiend hart. Zuiver het bloed dat door mij stroomt, wek het slapende vuur in mijn wezen. Ik fluister jouw naam… Wergulu.
Kamille, gouden oog van de zon, fluister zacht tussen slaap en ziel. Spreid vrede over mijn dromen, sus het hart dat in stilte huilt. Ik fluister jouw naam… Mægðe.
Duizendblad, kracht van open velden, verzacht mijn pijn met milde kracht. Weef genezing door mijn wonden, breng licht waar duisternis heerst. Al is het lot bezegeld, brengt jouw kracht mij nieuwe moed. Ik fluister jouw naam… Gearwe.
Venkel, helderziende in het veld, scherp mijn oog, mijn geest en mijn weten. Leer mij wat waarachtig is, wees mijn gids, zodat ik met vertrouwen verder ga. Ik fluister jouw naam… Finule.
Alant, wortel van kracht en genezing, je brengt adem aan benauwde longen, verlicht de hoest en kalmeert de geest. Ook als het lot zwaar drukt op ons leven, sta jij steeds klaar om te helen. Ik fluister jouw naam… Eolone.
Betonie, zachte beschermer van geest en hoofd, jij verdrijft angst en onrust. Ook als het lot onherroepelijk lijkt, blijf jij paraat, sterk en klaar. Met jouw kracht wordt de geest bevrijd, en verdrijf je alle zorgen. Ik fluister jouw naam… Betonie.
Negen zijt gij, nu wakker en nabij. Uw geur hangt in de lucht, uw kracht in mijn bloed. Wodan sprak tot u in de wind, Ik fluister u toe met adem en aandacht: Blijf bij mij! Wees mij een metgezel, Op mijn pad van genezing en inzicht.”