Steenkruidkers – een plant met een verrassend verhaal

Wie langs verweerde muren, vergeten bermen of omgewoelde grond passeert, is misschien al – wellicht onder het te weten – in het gezelschap geweest van Lepidium ruderale, de steenkruidkers.
Op het eerste gezicht oogt ze onopvallend: een frêle plantje met ragfijne blaadjes en bloempjes klein als speldenkoppen. Maar wie de moeite neemt om te buigen en werkelijk te kijken, stuit op een wonder van overlevingskunst. Dit tengere kruid draagt een geschiedenis mee van menselijk gebruik en botanische eigenzinnigheid. Zelfs haar naam fluistert verhalen: van steen en ruigte, van kruid en karakter.

Een meester van het onopvallende
De steenkruidkers is een eenjarige plant. Dat betekent dat hij zijn hele levenscyclus – van kieming tot bloei en zaadzetting – in de loop van één groeiseizoen voltooit. Na de bloei en vruchtvorming sterft de plant af.
Dankzij deze korte levenscyclus is hij uitstekend aangepast aan verstoorde habitats zoals bermen, puinplaatsen, spoorlijnen en stadsmuren, waar hij snel kan kiemen en groeien voordat andere, trager groeiende planten de ruimte innemen.

Een speciaal geurtje
Wie eraan ruikt, merkt meteen een doordringende, wat onaangename geur – niet voor niets wordt Lepidium ruderale in het Engels ook wel “stinking pepperweed” genoemd.
Steenkruidkers ruikt inderdaad naar muizen – of beter gezegd: naar muizenurine. Die karakteristieke, ietwat indringende geur wordt vaak omschreven als: onaangenaam scherp en ruikend naar oude kelders of muf hooi.
De geur is afkomstig van zwavelhoudende verbindingen, waaronder isothiocyanaten, die typisch zijn voor de kruisbloemenfamilie. Deze stoffen komen vrij wanneer de plant beschadigd wordt, zoals bij kneuzen of plukken, en dienen als verdedigingsmechanisme tegen vraat.
Dus ja: als je bij het plukken van steenkruidkers een geur ruikt die je aan een muizennest doet denken, vergis je je niet – dat is precies waar veel plantenkenners het mee vergelijken.

Botanische kenmerken
Hij wordt meestal niet hoger dan 10 tot 40 cm. De stengel is vaak bovenaan vertakt en draagt fijne, geurige bladeren die diep ingesneden zijn. De onderste bladeren zijn veerdelig of zelfs dubbel geveerd, terwijl de bovenste bladeren zittend zijn en nauwelijks breder dan een naald.
De bloeiwijze is fijnvertakt met kleine, witte bloempjes zonder kroonbladen – enkel vier kelkbladen die het geheel een bescheiden aanblik geven. De vruchtjes zijn klein, ovaal en vaak gevleugeld aan de rand. Ze barsten bij rijping open en laten dan één of twee zaadjes vrij, die zich gretig nestelen in open grond.

Overleven in een wereld van steen
De soortnaam ruderale komt van het Latijnse rudera, dat “puin” betekent – en dat zegt veel over zijn leefgebied. Steenkruidkers is een typische ruderaal, een pionier op plekken waar de natuur verstoord is: langs wegen, op braakliggende terreinen, bij spoorlijnen of tussen straatstenen. Hij houdt van stikstofrijke, droge en vaak kalkhoudende grond, en is in zijn element in steden en op verlaten industrieterreinen.
Oorspronkelijk komt hij uit Eurazië, maar door menselijke invloed heeft hij zich over grote delen van de wereld verspreid – van Noord-Amerika tot Zuid-Afrika.

Eetbaar… maar met een bijsmaakje
Steenkruidkers behoort tot de kruisbloemenfamilie, in het Latijn Brassicaceae (vroeger ook wel Cruciferae genoemd).
Tot dezelfde familie behoren ook bekende planten zoals kool, mosterd, radijs, rucola en de tuinkers die nauw verwant is aan steenkruidkers.
De scherpe, mosterdachtige smaak van de bladeren is typisch voor deze familie en te wijten aan de aanwezigheid van glucosinolaten. Zoals veel leden van de kruisbloemenfamilie bevat steenkruidkers deze stoffen, die zorgen voor een pittige smaak. De jonge bladeren zijn technisch gezien eetbaar en werden soms gebruikt als specerij, hoewel de geur en smaak niet iedereen aanspreken.

Een naam in steen geworteld
De Nederlandse naam steenkruidkers is treffend gekozen: “steen” verwijst naar zijn voorkeur voor stenige, door mensen beïnvloede omgevingen; “kruid” benadrukt zijn status als onopvallend plantje; en “kers” duidt op zijn verwantschap met tuinkers en andere pepersmakende planten.
De botanische naam Lepidium ruderale vertelt hetzelfde verhaal, maar dan in het Latijn.
De geslachtsnaam Lepidium komt van het Griekse lepis, wat “schub” betekent – waarschijnlijk een verwijzing naar de kleine, schubachtige vruchtjes. Die vruchtjes, hoe klein ook, zijn ware overlevingsmechanismen: ze worden gemakkelijk verspreid, slaan goed aan op verstoorde grond en zorgen ervoor dat deze nederige plant telkens weer opduikt waar men hem het minst verwacht.

Volksgeneeskunde
Rembert Dodoens heeft het in zijn Cruijdeboeck (1554) over ‘den wilden Kerssen’, waarvan hij vier soorten beschrijft:
“Van den wilden Kerssen die onder den naem van Thlaspi begrepen moghen worden / vindtmen sonderlinge vier gheslachten / die malcanderen ende der Kerssen van smaecke niet seer onghelijck en sijn.”
(Cruijdeboeck, deel 5, hoofdstuk 59)

Cracht ende werckinghe (volgens Rembert Dodoens- 1554)
Tsaet van Thlaspi inghenomen iaecht af van onder ende van boven die galle ende die geele vochticheden / het verweckt die natuerlijcke cranckheyt van den vrouwen / ende het doet die apostumatien die binnen tslichaems ghegroeyet sijn uutbreken.
Tselve saet met een clysterie van onder ghesedt versuet die pijne van dat Sciatica. Tot den selven dienet oock van buyten daer op gheleyt ghelijck tsaet van Mostaert.
Hindernisse
Aenghesien dat het saet van Thlaspi seer heet ende sterck van wercke es / zoo doet het bloet afgaen / alst te veel inghenomen wordt / ende es den bevruchten vrouwen seer hinderlick ende quaet / ende daer om en behoortment niet lichtelijcken van binnen in te gheven.
(Cruijdeboeck, deel 5, hoofdstuk 59, blz. 669–671)
Hertaling van de tekst van Dodoens
Werking van het zaad van Thlaspi (in het Nederlands bekend als akkerkers of soms veldkers; een eenjarige plant uit de kruisbloemenfamilie, net als Lepidium ruderale):
Wanneer het zaad van Thlaspi wordt ingenomen, zorgt het ervoor dat gal en gele lichaamssappen via de natuurlijke wegen (ontlasting en braken) worden afgevoerd. Het wekt ook de menstruatie op bij vrouwen en helpt bij het openbreken van gezwellen of abcessen die zich binnenin het lichaam gevormd hebben.
Als het zaad via een klysma in de anus wordt ingebracht, verzacht het de pijn van ischias (zenuwpijn in de heupstreek). Voor diezelfde kwaal kan het ook uitwendig op de pijnlijke plek worden gelegd, net zoals dat gebeurt met mosterdzaad.
Dodoens waarschuwt ook!
Omdat het zaad van Thlaspi zeer heet (pittig) en krachtig werkt, kan het bloedingen veroorzaken als men er te veel van inneemt. Het is bijzonder schadelijk en gevaarlijk voor zwangere vrouwen. Daarom mag het zeker niet zomaar inwendig worden toegediend.

Conclusie
Steenkruidkers is geen plant die je op bloemenmarkten zult vinden, en toch is hij een meester in overleven, een stille getuige van menselijke activiteit, en een verrassend lid van de kruisbloemenfamilie. Wie oog heeft voor het kleine, zal merken dat zelfs het meest alledaagse plantje een fascinerend verhaal te vertellen heeft.
Steenkruidkers op YouTube

Bronnen en meer informatie
https://www.leesmaar.nl/cruijdeboeck/deel5/capitel059.htm
https://nl.wikipedia.org/wiki/Steenkruidkers
https://www.ecopedia.be/planten/steenkruidkers
https://waarnemingen.be/species/6975
https://wilde-planten.nl/steenkruidkers.htm
Link naar de 12 meest recente artikelen
- Muursla

- Een dag in het spoor van natuurfotograaf Nic Carsauw

- De schoonheid van wiskunde in de natuur

- Vingergras sp.

- Steenkruidkers – een plant met een verrassend verhaal

- Weegbree… voor wie even de weg kwijt is.

- Daslook – Allium Ursinum L .

- Paardenbloem – kleine zon, grote zuiveraar

- Kandelaartje – een lichtpuntje in de lente

- De kleine veldkers – een moedige voorjaarsbode tussen de stenen

- Kleine veldkers – pittige vonk in het vroege voorjaar

- Eindejaars plantenjacht van FLORON (Nederland)

Ontdek meer van Stadsplanten
Abonneer u om de nieuwste berichten naar uw e-mail te laten verzenden.


