De zomervakantie houdt zich prima aan de kleine lettertjes van haar eigen naam: het is warm, het is zonnig, het schreeuwt “naar buiten!” Perfect weer dus om de stadsrand eens te verkennen, per fiets of te voet. Nu heb je in de wandelgangen — letterlijk — …
Hoewel Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) en Jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) totaal verschillende planten zijn, worden ze in de praktijk regelmatig met elkaar verward. Dat is niet zonder risico: Sint-Janskruid is een bekende heilzame plant, terwijl Jakobskruiskruid zeer giftig is voor paarden en vee. Waarom de verwarring? De verwarring ontstaat vooral door …
In juli gingen we weer op plantensafari in de stad! We ontdekken verrassende stadsplanten die tussen stoeptegels, op gevels en muren groeien. Van geurige kruiden tot taaie pioniers: de stad zit vol leven. Verwondering gegarandeerd, voor jong en oud, ervaren speurder of nieuwsgierige beginner.
Gewone klaproos
gewone klaproos (Papaver rhoeas)
De gewone klaproos (Papaver rhoeas) is goed te herkennen aan haar opvallend helderrode bloemen met een kenmerkende zwarte vlek aan de voet van elk kroonblad. Die intense kleur is typisch voor deze soort en duidelijk feller dan bij de bleke klaproos. De bloemstelen staan vrij rechtop en zijn stevig, in tegenstelling tot de slanker gebogen stelen van de bleke klaproos. Daarnaast valt de beharing op: de stelen zijn bezet met stijf afstaande haren. Bij de bleke klaproos liggen de haartjes eerder tegen de steel.
Jacobskruiskruid
Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris)
Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) is een inheemse plant die vaak groeit in bermen, op dijken en in schrale graslanden. Een bloeiend exemplaar pal op een trottoir, vlak voor een voordeur, is dan ook een ongewoon gezicht. Deze kon ik dus niet voorbijlopen. De plant valt op door haar felgele bloemen, en diep ingesneden bladeren. Hoewel ze giftig is voor grazers, vormt ze een waardevolle nectarbron voor tal van insecten. Dat deze typische pioniersplant zich nu ook in de stad laat zien, toont hoe vindingrijk de natuur is.
Basterdwederik
Basterdwederik (Epilobium spp.)
Basterdwederik (Epilobium spp.) is een bescheiden maar taaie pioniersplant die vaak opduikt op verstoorde plekken zoals stoepen, muren, bouwterreinen en braakliggende grond. De plant oogt onopvallend met zijn smalle bladeren en ijle, vertakte stengels, maar bij nader inzien zie je kleine roze tot lila bloempjes met vier gespleten kroonblaadjes. Na de bloei vormen zich lange, smalle zaaddozen die openspringen en pluizige zaadjes loslaten – perfect voor verspreiding door de wind. Er bestaan verschillende soorten basterdwederik, die soms lastig van elkaar te onderscheiden zijn. Ze bewijzen hoe vasthoudend en flexibel de stadsflora kan zijn, zelfs in de kleinste kiertjes.
Gerande schijnspurrie
Gerandeschijnspurrie (Spergularia rubra)
Gerandeschijnspurrie (Spergularia rubra) is een opvallende plant die je ook in stedelijke omgevingen kunt tegenkomen. Ze groeit vaak op zonnige, open plekken zoals kasseien, stoepen en muren waar weinig andere planten overleven. Deze plant gedijt goed op kalkrijke en soms wat voedselarme grond. Haar smalle bladeren met een duidelijke rand en kleine, rozerode bloemen maken haar makkelijk herkenbaar. In de stad draagt de gerande schijnspurrie bij aan de biodiversiteit en laat zien hoe natuur zich aanpast aan het harde stadsleven.
Vertakte leeuwentand
Vertakte leeuwentand (Youngia japonica)
De vertakte leeuwentand (Youngia japonica) is een snelgroeiende, invasieve plant uit Azië die zich ook in Europa, inclusief stedelijke gebieden, steeds vaker laat zien. Deze plant heeft fijne, diep ingesneden bladeren die doen denken aan de gewone leeuwentand, maar dan met een meer vertakte vorm. Ze bloeit met kleine gele bloemen, meestal van zomer tot herfst. Dankzij haar aanpassingsvermogen groeit ze goed in stedelijke gebieden waar weinig bodem beschikbaar is. De vertakte leeuwentand toont hoe zelfs in de drukte van de stad wilde planten hun plek kunnen vinden.
Akkermelkdistel
Akkermelkdistel (Sonchus arvensis)
De akkermelkdistel (Sonchus arvensis) is een onvermoeibare pionier die langs wegen en akkers floreert, maar zich ook verrassend goed staande houdt in de stad. Haar grijsgroene, licht behaarde bladeren met fijn ingesneden randen vormen een mooi contrast met de heldergele, trosvormige bloemen die iets kleiner zijn dan die van de paardenbloem. Wat deze plant extra bijzonder maakt, is haar kracht om via wortelstokken – onopvallend maar gestaag – in rijtjes te groeien. In stedelijke gebieden verovert ze braakliggende terreinen. Hier durft ze zich ook vast te klampen tussen de kasseien.
Gekroesde melkdistel
Gekroesde melkdistel (Sonchus asper)
De gekroesde melkdistel (Sonchus asper) is een sterke plant die je gemakkelijk herkent aan haar grof getande, gekroesde bladeren en stralend gele bloemen – groter en opvallender dan die van de paardenbloem, gedragen op stevige, trotse stelen. Deze robuuste plant floreert langs wegen, in tuinen en op braakliggende terreinen, maar weet zich ook meesterlijk te nestelen op zonnige plekjes tegen huisgevels. Daar toont ze haar onverzettelijke veerkracht, een stille getuige van de natuur die zelfs tussen steen en beton haar eigen leven opeist.
Kluwenzuring
Kluwenzuring (Rumex conglomeratus)
Kluwenzuring (Rumex conglomeratus) is een opvallende zuringsoort die je vaak aantreft op vochtige, stikstofrijke plaatsen zoals slootkanten, ruderale zones en stadsgroen. De naam verwijst naar de dichte kluwens van roodbruine vruchtjes die in schijnkransen aan de stengel zitten. De bladeren zijn langwerpig en licht golvend, met een vrij slappe uitstraling. In tegenstelling tot veel andere zuringsoorten heeft kluwenzuring een holle stengel. De plant kan tot anderhalve meter hoog worden en bloeit van mei tot in de herfst. Een typische stadsplant die zich goed thuis voelt in natte, door mensen beïnvloede milieus.
Lavendel
Lavendel (Lavandula angustifolia)
Lavendel (Lavandula angustifolia) is vooral bekend als tuinplant, maar duikt soms verrassend op in de stad. Op de kademuur van de Augustijnenrei in Brugge groeit deze mediterrane geurplant spontaan tussen de stenen, pal boven het water. Zijn paarse bloeiaren trekken bijen en wandelaars, en verspreiden een kalmerende geur. Lavendel houdt van droge, zonnige plekken, en blijkt opvallend goed bestand tegen stadsklimaat en stenige groeiplaatsen. Een stukje zuiderse sfeer op Brugse bodem, waar natuur en stad poëzie worden.
Melganzenvoet
Melganzenvoet (Chenopodium album)
Melganzenvoet (Chenopodium album) is een van de meest algemene stadsplanten — en tegelijk een van de minst opgemerkte. Toch groeit hij vaak weelderig, zoals hier langs de rand van een plantsoentje in Brugge. De melige, witte waas op jonge bladeren gaf de plant zijn naam. De bladeren variëren sterk van vorm, en de groenige bloeiwijzen zijn weinig opvallend. Melganzenvoet gedijt op verstoorde, stikstofrijke plekken: tussen stoepstenen, in tuinen of op braakliggende gronden. Eeuwen geleden werd hij nog gegeten als spinazie. Vandaag is het een taaie overlever in stad en straat.
Witte trompettabak
Witte trompettabak (Nicotiana sylvestris)
Deze witte trompettabak (Nicotiana sylvestris) is een sierlijke verschijning in het straatbeeld, met zijn grote, langwerpige bladeren en hangende, trompetvormige bloemen. Deze plant uit de nachtschadefamilie werd oorspronkelijk als tuinplant ingevoerd, maar duikt soms onverwacht op tussen straatstenen, zoals hier in Brugge. Vooral ’s avonds verspreiden de bloemen een bedwelmende geur die nachtvlinders aantrekt. De plant bevat net als andere tabaksoorten nicotine, en is dus giftig. Toch straalt hij een wonderlijke kwetsbare kracht uit — een elegante tuinvluchteling die zijn plaats in de stad zoekt.
Op 24 juni viert de Kerk het hoogfeest van de geboorte van Johannes de Doper. Dat is opvallend, want buiten Jezus en Maria is hij de enige heilige van wie de geboorte wordt gevierd, niet de dood. Zijn geboortedag valt net na de zomerzonnewende, wanneer de zon haar hoogste punt bereikt …
21 juli vandaag! Tijd om even de “Pauze“-knop in te drukken. We zijn al maandenlang dagelijks bezig met het schrijven van artikels voor deze website. Ondertussen zijn dat er al meer dan 220. Vanaf morgen gaan we voor enkele weken met vakantie. Medio september starten …
14 juli 2024. Wat een dag! Vandaag hebben we opnieuw de stad verkend op onze eigenzinnige safari, waarbij onze focus vooral lag op de verbazingwekkende diversiteit aan planten die we op oude muren en tussen de straatstenen aantroffen. Tot onze grote verrassing ontdekten we een aantal bijzondere planten die je op die plekken absoluut niet zou verwachten. En toen we ook nog een zeldzame soort tegenkwamen, was onze dag compleet.
Lees verder en laat je verrassen door onze ontdekkingen…
Gele kamille – Anthemis tinctoria
Gele kamille – Anthemis tinctoria
Deze soort is een zeldzame parel in de stad en nog zeldzamer elders, maar gelukkig wordt hij ook uitgezaaid. Hoewel de ontmanteling van oude vestingwerken de plant heeft teruggedrongen, heeft hij nieuwe kansen gekregen, vooral op spoorwegterreinen. Wat een spannende comeback!
Met zowel zonnige gele lintbloemen als opvallende buisbloemen is het een echte blikvanger. Voeg daar de fijnverdeelde, slipvormige geveerde bladeren aan toe, die doen denken aan andere kamillesoorten, en je hebt een prachtige plant om te bewonderen. Deze planten groeien in groepen dankzij hun ondergrondse wortelstokken en kunnen behoorlijk imposant worden. Een opmerkelijk verschil met Echte kamille: de geur ontbreekt. We vonden deze exemplaren op een oude muur in Damme.
Al sinds de late Middeleeuwen is deze plant een veelzijdige schat. Naast zijn rol als sierplant leverde hij ook nog eens prachtige citroengele en olijfgroene verfstoffen. Bovendien werd hij ingezaaid om zand te binden. Wat een indrukwekkende geschiedenis!
De kompassla, ook bekend als wilde sla is een een- of tweejarige plant uit de composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). Deze plant dankt zijn Nederlandse naam aan de unieke eigenschap dat de gedraaide bladtoppen de noord-zuidrichting aangeven.
Aan de rij flinke stekels onder de middennerf van de bladeren is de kompassla, Lactuca serriola, al heel goed te herkennen. Daarom wordt kompassla ook wel eens stekelige sla genoemd. Ook de blauwige kleur van de bladeren en het leerachtig, vlezig uiterlijk is onmiskenbaar.
Kompassla heeft een lange geschiedenis van traditioneel medicinaal gebruik. Het melkachtige sap van deze plant bevat een bittere substantie met verrassend kalmerende en pijnstillende eigenschappen. In sommige culturen is dit sap zelfs gebruikt als een natuurlijke vervanging voor opium! Hoewel de effecten veel milder zijn dan die van opium, blijft het een verbluffend voorbeeld van de geneeskrachtige kracht van de natuur.
De Nederlandse naam wilgenroosje dankt de plant aan het feit dat de bladen lijken op die van de wilg. Roosje is een algemene aanduiding voor “rode bloemen”.
De oude geslachtsnaam Epilobium komt van het Griekse epi (op de rand van) en lobos (peul), omdat de bloem op het lange vruchtbeginsel staat. Chamerion is afgeleid van het Griekse chamai (dwerg) en neros (vochtig). Angustifolium betekent ‘met smalle bladen’ wat een verwijzing is naar de inderdaad lange, smalle bladeren .
Het wilgenroosje bevat tamelijk veel ijzer en kalk en vitamine C, daarom wordt deze plant regelmatig in versterkende thee gebruikt. De looistoffen werken op de diarree e.d., zijn ook bloedstelpend. Evenals de (kleinbloemige) basterdwederikken bevat de plant ook sitosterol en betasitosterol. Deze stof heeft een goede inwerking op de prostaat.
De jonge scheuten en bladeren van deze plant zijn eetbaar en vormen een heerlijke wilde groente. Je kunt ze rauw gebruiken voor een unieke salade of gekookt als smakelijke groente. De gelachtige substantie van de plant kan soepen verrijken. De wortel wordt vaak gebruikt als saladegroente, en in Scandinavië maken ze er zelfs compote van. Gedroogde bladeren zijn perfect voor het zetten van thee, een traditie die vooral in Rusland populair is. De bloemknoppen kun je aan salades toevoegen of, net als kappertjes, inmaken in azijn om er in de winter van te genieten. Wat een veelzijdige plant!
Sint-jakobskruiskruid, of kortweg jakobskruiskruid, is giftige plant met gele bloempjes die de laatste jaren aan een opmars lijkt te zijn begonnen en die steeds meer voorkomt in de wegbermen, natuurgebieden en weilanden. Het is een pioniersplant die zich snel verspreidt naar open plekken in het gras of de berm.
Met Jakob wordt Sint-Jacob bedoeld. Het hoogtepunt van de bloei is op 25 juli, de kerkelijke feestdag van de apostel Jacobus.
De naam kruiskruid zou te verklaren zijn door het kruisgewijs staan van de bladeren. Maar over het algemeen is men het ermee eens dat dit een gehoorfout is. De naam komt eigenlijk van de Duitse naam ‘Kreuzkraut’ wat grijskruid betekent.
Jacobskruiskruid is giftig voor alle vee! Als paarden of rundvee het eten, worden de giftige stoffen in de lever opgeslagen. Het is trouwens ook giftig voor mensen. De bloemen bevatten tweemaal zoveel gif als de bladeren. Pas als de plant opgegeten wordt, worden deze verbindingen – met name in de dunne darm – omgezet in giftige, vrije alkaloïden die de lever aantasten.
Maar ongelukken gebeuren meestal niet door het eten van verse planten want dat is door de smaak niet te vreten.
Pas sinds de jaren zeventig van de 20ste eeuw is bezemkruiskruid aan een duidelijke opmars bezig. Waarschijnlijk is de soort in 2004 een tweede keer in Europa is geïntroduceerd. Die tweede verspreiding schijnt te hebben plaatsgevonden vanuit het Middellandse Zeegebied.
Bezemkruiskruid is algemeen in Vlaanderen en één van de sterkst uitbreidende, invasieve soorten. Tegenwoordig komt bezemkruiskruid vrijwel overal in Vlaanderen voor. Als bezemkruiskruid gaat woekeren in natuurgebieden verdrijft hij zeldzamere soorten. Deze bedreiging zal steeds grotere vormen aannemen.
Het is een vaste plant uit de composietenfamilie (Asteraceae).
De Nederlandse naam bezemkruiskruid is afkomstig van de vorm, door de sterke vertakking lijkt een uitgetrokken plant wel wat op een bezem. De soortaanduiding inaequidens betekent ‘ongelijke tanden’.
Zoals vrijwel alle soorten uit het geslacht Senecio bevat de plant pyrrolizidine alkaloïden. Consumptie door mens en dier dient vermeden te worden. De consumptie kan leverbeschadiging tot gevolg hebben.
Gele helmbloem behoort tot de familie Papaveraceae. De plant werd in het begin van de 19de eeuw als sierplant vanuit de zuidelijke Alpen naar onze contreien gehaald. Vanaf 1824 vestigde de plant zich ook in het wild. De plant gedijt het best op beschaduwde, ietwat vochtige plaatsen. Klassieke plekken zijn oude muren of oude gebouwen in de stad.
De bladeren zijn eetbaar en kunnen in salades worden gebruikt. Naast de sierwaarde staat gele corydalis ook bekend om zijn geneeskrachtige eigenschappen. De plant heeft een lange geschiedenis van gebruik in de traditionele geneeskunde en is gebruikt om verschillende aandoeningen te behandelen, zoals spijsverteringsproblemen, hoofdpijn en menstruatiepijn. Er wordt ook gezegd dat het milde kalmerende en pijnstillende effecten heeft.
De actieve stoffen in gele corydalis zijn te vinden in de wortels en ondergrondse stengels. Deze verbindingen omvatten alkaloïden, die een breed scala aan fysiologische effecten op het lichaam hebben. Van sommige van deze alkaloïden is bekend dat ze pijnstillende eigenschappen hebben, terwijl van andere wordt gezegd dat ze een kalmerend effect hebben op het centrale zenuwstelsel.
Het is echter belangrijk op te merken dat de geneeskrachtige eigenschappen van gele corydalis niet algemeen zijn bestudeerd in modern wetenschappelijk onderzoek. Zoals met elke medicinale plant, is het het beste om een gekwalificeerde zorgverlener te raadplegen voordat u gele corydalis voor medicinale doeleinden gebruikt.
Literatuur: Stadsflora van de Lage Landen – Ton Denters- ISBN 978 90 5956 973 7, bij Fontaine Uitgevers, Tweede druk 2020; pg 116
In Brugge is op vele plaatsen, o.a. de kademuren de vlinderstruik te zien.
De vlinderstruik (Buddleja davidii) is een plant uit de helmkruidfamilie. In Europa is de soort vooral als tuinplant in gebruik, maar de plant komt ook verwilderd voor. De struik kan enige maar geen zeer strenge vorst verdragen, bij circa -15 °C kan de plant sterven.
De plant wordt vlinderstruik genoemd omdat hij vlinders aantrekt. Een andere benaming is herfstsering, omdat de bloeiwijze op die van de seringen lijkt. De plant bloeit met langwerpige bloeiwijzen van juli tot september. De bloemen van de wilde soort zijn lichtpaars, maar kwekers hebben ook donkerpaarse, roze en witte cultivars ontwikkeld. Geelbloeiende vlinderstruiken in Nederlandse tuinen behoren meestal tot Buddleja × weyerana, een hybride waarvan de vlinderstruik een van de kruisingsouders is. Deze is matig winterhard. De meeste vlinderstruiken zijn bladverliezend maar er zijn ook groenblijvende soorten. De struik kan zo’n drie meter hoog worden.
De soortaanduiding davidii verwijst naar pater Armand David. De plant komt van origine waarschijnlijk uit China.