Onlangs nam ik een groep enthousiaste Bruggelingen mee naar de oevers van het Minnewater. Ik wou er de legende van de wolfspoot aan het Minnewater vertellen – ik zal dat hier morgen ook eens doen.En eerlijk mensen… ik was beschaamd. Al dat onkruid!!! Ik zag: …
In de reeks plantenverhalen vertellen we vandaag een waargebeurd verhaal: “Over het straatmadeliefje, een hongerige echtgenote en de 504 stappen naar de warme bakker.“ Deze ochtend stelde ik bij het opstaan vast dat de broodtrommel leeg was. Uit jarenlange ervaring weet ik wat dat betekent. …
Vijf gele composieten op een rij: hoe hou je ze uit elkaar?
In wegbermen, gazons, dijken en ruigten duiken vaak gele bloemen op die op het eerste gezicht allemaal op paardenbloemen lijken. Toch gaat het vaak om heel andere planten. Hier zetten we vijf gele composieten op een rij die je met een beetje oefening goed van elkaar kunt onderscheiden: klein streepzaad, groot streepzaad, gewoon biggenkruid, vertakte leeuwentand en muizenoor.
1. Klein streepzaad (Crepis capillaris)
1. Klein streepzaad (Crepis capillaris)
Klein streepzaad (Crepis capillaris)
Bloem: Kleine, gele bloemen in losse pluimen, vaak met een paar bloemen open tegelijk.
Stengel: Slank en vaak vertakt met veel kleine bloemhoofdjes.
Bladeren: Smal, vaak diep ingesneden en verspreid langs de stengel.
Bijzonderheden: De bloemen sluiten zich bij slecht weer. Komt veel voor in gazons en op stoepen.
Standplaats: Vaak in verstoorde, droge of stenige graslanden en stadsomgeving.
2. Groot streepzaad (Crepis biennis)
Groot streepzaad (Crepis biennis)
Bloem: Groter dan bij klein streepzaad, geel, meestal minder vertakt.
Stengel: Rechtopstaand en stevig, meestal niet of weinig vertakt bovenaan.
Bladeren: Groter, meer behaard, vaak ook lobbig.
Bijzonderheden: Wordt tot 1 meter hoog, bloeit later dan klein streepzaad.
de bladslippen zijn smal en de eindlob van het blad is lang en smal, terwijl bij de rozetbladeren van Gewoon biggenkruid die eindlob juist heel breed is.
Bloem: Lijkt sterk op gewoon biggenkruid, maar met meerdere bloemen per stengel.
Stengel: Sterk vertakt met meerdere bloemhoofdjes, meestal iets ijler dan biggenkruid.
Bladeren: In een rozet aan de voet, lancetvormig, meestal gladder dan bij biggenkruid.
Bijzonderheden: Bloeit opvallend laat ( zomer en najaar).
Standplaats: Open graslanden, wegbermen.
5. Muizenoor (Pilosella officinarum)
Muizenoor (Pilosella officinarum)
Bloem: Eén enkel geel bloemhoofdje per steel, meestal iets kleiner dan de andere soorten.
Stengel: Vrij kort, met één bloem.
Bladeren: In een rozet, grijsgroen en dicht behaard – ze lijken op muizenoortjes.
Bijzonderheden: Vormt vaak matten via uitlopers.
Standplaats: Droge, schrale zandige bodems, heiden, duinen, open grasland.
Visuele vergelijkingstabel – Gele composieten
Klik op de afbeelding om een groter formaat te bekijken
Zondagochtend. Vrede in huis. Koffiegeur in de lucht. En dan plots, zoals de klok het wil: “Ga jij vanochtend om de boterkoeken en broodjes?” vraagt mijn vrouw met die blik waaraan ik niet kan weerstaan. Traditie is nu eenmaal traditie — en wie ben ik om …
Uiteraard koos mijn verkoudheid het weekend uit om toe te slaan – perfecte timing, zoals altijd. Geen neuspray te vinden, geen zakdoekje in de buurt, alleen ik en een steeds drukkender hoofd. Dus werd het improviseren met wc-papier en warme thee, tot de maandagochtend de …
Planten met bloemhoofdjes met gele lintbloempjes zijn er bij de vleet en ze lijken allemaal een beetje op mekaar. Dat is niet verwonderlijk want het zijn neven en nichtjes. Ze behoren tot de composietenfamilie (Asteraceae) en hebben allemaal een bloeiwijze die bestaat uit lintbloemen, straal- en buisbloemen, die samen het bloemhoofdje vormen. Een aantal bekende familieleden zijn bijvoorbeeld de paardenbloem, gewoon biggenkruid, havikskruid, melkdistel, akkermelkdistel, akkerkool, en dus ook klein streepzaad. Voldoende dus om hopeloos te verdwalen in al die soorten. Klein streepzaad wordt dan ook – vooral in de vegetatieve fase – dikwijls verward met een aantal andere soorten die erop lijken.
Maar geen paniek! Op de prachtige website van Lidy Poot, www.wildebloemen.info, is een handige determinatiesleutel te vinden.
Tot deze familie behoort dus ook het klein streepzaad (Crepis capillaris). De planten kunnen sterk vertakt zijn en dan veel hoofdjes hebben. De hoofdjes zijn één tot nog geen 2 cm breed in doorsnee. De planten hebben wit melksap maar geen stekelige bladranden of een sterke ruwe beharing. De pappusharen aan de kleine nootjes zijn sneeuwwit en onvertakt, wat je het beste kunt zien met een loep.
De Nederlandse naam streepzaad verwijst naar de vele ribben (strepen) op de nootjes.
Crepis komt van het Griekse woord “krepis”, wat “slipper” of “sandaal” betekent en dat slaat op de plat op de bodem liggende wortelbladen. Het werd door oude Griekse botanici gebruikt om te verwijzen naar een plant, mogelijks een plant met een basale rozet van bladeren, die lijkt op een pantoffel.
Capillaris: Deze term is afgeleid van het Latijnse woord “capillus”, wat ‘haar’ betekent. In botanische termen verwijst het vaak naar fijne of haarachtige structuren. In het geval van Crepis capillaris kan het een verwijzing zijn naar de fijne haren op de plant.
Dus Crepis capillaris verwijst in wezen naar een plant met kenmerken die lijken op een pantoffel en fijne haren heeft.
De naam in andere talen
Engels: Smooth Hawk’s-beard
Duits: Kleinköpfiger Pippau
Frans: Crépis à tige capillaire
Kenmerken
Klein streepzaad is een rechtopstaande eenjarige plant die tot 80 cm hoog kan worden. In de stad blijft hij doorgaans wel iets kleiner. Hij heeft een diepe penwortel. Dat is handig om te overleven in de soms droge omstandigheden van het trottoir of de straat. Hoewel hij ook vaak op ruigten voorkomt voelt hij zich in de stad best in zijn sas, zolang hij maar niet te nat staat.
De stengel is slank, harig en vertakt aan de bovenkant. De bladeren zijn afwisselend, smal en getand, met een lengte van 3-8 cm. De bloemen zijn geel en gerangschikt in trossen aan de bovenkant van de stengel. De lintbloemen zijn geel en van onderen vaak roodachtig. Ze bloeien van juni tot november, en elke bloemkop kan tot 20 zaden produceren. Door die zaadproductie kan de plant zich snel voortplanten en soms dichte kolonies vormen.
Ecologische waarde
Hoewel sommigen klein streepzaad als een onkruid beschouwen vanwege de aanwezigheid ervan in landbouw- en tuinbouw, heeft het wel ecologische waarde als nectarbron voor bestuivers. Het is ook een waardevolle voedselbron voor sommige diersoorten. De zaden van de plant worden gegeten door vogels zoals vinken en mussen, terwijl de bladeren en stengels worden opgegeten door konijnen en andere herbivoren. Voor boer en tuinder echter kan het inderdaad soms problematisch zijn omdat het concurreert met andere gewassen.Streepzaad is goed te herkennen aan de stengelomvattende bladvoet met oortjes. Oortjes zijn twee lintvormige verlengingen van de bladvoet aan weerszijde van de stengel. (Zie foto boven.)
Voorkomen
Klein streepzaad wordt verspreid over heel Afrika en het noordelijk halfrond. Het wordt het vaakst aangetroffen langs wegen, op braakliggende terreinen of op andere verwaarloosde gebieden, maar het doet het ook uitstekend als stadsplant. Dit exemplaar vond ik tegen een gevel in de Oude Gentweg te Brugge. Het stond er in de blakende zon.
Het is één van de meer vruchtbare, kleurrijke onkruiden in een grasland of op de stoep in de zomer. Hij valt onmiddellijk op met zijn kleine, vrolijke gele bloemen op hoge, vertakte stengels. De stengels liggen vaak slepend over de grond maar soms rechtopstaand. De bladeren vormen soms een rozet. Hij bloeit van juni tot december.
Medicinaal gebruik
Deze plant is al sinds de oudheid bekend en werd veel gebruikt in de volksgeneeskunde. Het heeft laxerende eigenschappen.
Klein streepzaad wordt al eeuwenlang voor verschillende medicinale doeleinden gebruikt. Het is gebruikt in de traditionele geneeskunde om aandoeningen van de luchtwegen zoals hoesten en bronchitis te behandelen. De bladeren en bloemen van de plant bevatten flavonoïden, fenolische zuren en andere verbindingen die antioxiderende en ontstekingsremmende eigenschappen hebben. Het is echter belangrijk op te merken dat de veiligheid en effectiviteit van het gebruik ervan voor medicinale doeleinden niet grondig zijn onderzocht en dat het alleen mag worden gebruikt onder begeleiding van een deskundig fytotherapeut of gehomologeerd zorgverlener.
De goed gewassen en gekookte, jonge bladeren en stengels zijn eetbaar. De jonge bladeren en stengels kunnen rauw of gekookt worden gegeten en hebben een licht bittere smaak. Het is echter belangrijk op te merken dat het consumeren van planten uit het wild riskant kan zijn, omdat ze schadelijke stoffen of verontreinigingen kunnen bevatten. De bloemen zijn ook eetbaar.
Sommige publicaties raden aan de plant zo vers mogelijk als groente te eten omdat ze, na verloop van tijd, een aantal giftige eigenschappen kan hebben. De gedroogde, gekookte wortel van deze plant wordt ook als diureticum gebruikt.
Er is echter verder onderzoek nodig om de potentiële voordelen en risico’s van de plant volledig te begrijpen. Als u overweegt klein streepzaad voor welk doel dan ook te gebruiken, is het belangrijk om een beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg of andere deskundige te raadplegen om de veiligheid te waarborgen.
Bachbloesemremedie
Klein streepzaad behoort tot de gekende Bachbloesemremedies.
Helpt met het in balans brengen van activiteit en rust; opent voor nieuwe energie en vitaliteit, geeft soepelheid in stijve vastzittende structuren, helpt je een verbinding te maken met je basis, je op je gemak te voelen en je thuis te voelen met anderen, helpt je hierbij met het opruimen van emoties vanuit de thuis (kindertijd) relaties tot aan de huidige relaties. Helpt met het opslaan en opladen van de energie en het uitgeven van Liefde en warmte.
Voor wetenschappers zoals ik is streepzaad extra speciaal: het kan zaad maken zonder dat het bevrucht is. Dat heet apomixie of apomixis. Meer info daaromtrent is te vinden op Wikipedia. Klein streepzaad heeft ook maar zes paar chromosomen per celkern. Dat maakt de plant heel geschikt voor erfelijkheidsonderzoek.
“Alles wat de mens nodig heeft voor gezondheid en genezing is door God in de natuur geleverd; de uitdaging van de wetenschap is om het te vinden.” (Paracelsus) Met dit citaat in het achterhoofd ging ik opnieuw – nu al voor de zesde keer – …