Hoewel Sint-Janskruid (Hypericum perforatum) en Jakobskruiskruid (Jacobaea vulgaris) totaal verschillende planten zijn, worden ze in de praktijk regelmatig met elkaar verward. Dat is niet zonder risico: Sint-Janskruid is een bekende heilzame plant, terwijl Jakobskruiskruid zeer giftig is voor paarden en vee. Waarom de verwarring? De verwarring ontstaat vooral door …
24 juni vandaag! Een uitstekende gelegenheid om – in het kader van onze reeks plantenverhalen – de legende van het Sint-Janskruid te vertellen. Lang geleden, toen de aarde nog dichter bij de hemel leek te leven en kruiden nog met engelen fluisterden, stond Maria Magdalena …
In de besloten ontmoetingstuin van het Brugse begijnhof, verscholen onder het gefilterde licht van oude bomen, groeit een plant die al eeuwenlang tot de verbeelding spreekt. Alleen al haar naam wekt nieuwsgierigheid: groot heksenkruid (Circaea lutetiana). Zowel de Nederlandse naam als de wetenschappelijke benaming ademen een zweem van mysterie. Waarom verwijst deze Latijnse naam naar de legendarische tovenares Circe? Achter deze bescheiden bosplant schuilt een verhaal waarin mythologie, magie en plantkunde elkaar op verrassende wijze ontmoeten.
Groot heksenkruid (Circaea lutetiana)
Groot heksenkruid groeit vooral op vochtige, schaduwrijke plekken onder loofbomen en langs oude hagen. In het vroege zomerhalfjaar verschijnen fijne, witte bloempjes die nauwelijks opvallen tussen het groen. Later in het seizoen ontwikkelen zich kleine, kleverige vruchtjes die zich gemakkelijk hechten aan kleding of dieren, waardoor de plant zich stilletjes door de omgeving verspreidt. Wie dichterbij kijkt, ontdekt dat deze ogenschijnlijk onopvallende plant meer vertelt dan haar uiterlijk doet vermoeden. Juist die verborgen aanwezigheid geeft haar in de schaduw van het begijnhof iets geheimzinnigs.
Wie is Circe?
Volgens de Griekse mythe was Circe een machtige tovenares die de geheimen van planten en kruiden beheerste. Aan haar ontleent het groot heksenkruid zijn wetenschappelijke naam Circaea.
De geslachtsnaam Circaea verwijst rechtstreeks naar Circe, een machtige figuur uit de Griekse mythologie die een belangrijke rol speelt in de Odyssee van Homerus. Zij woont op het mythische eiland Aeaea, waar zij omringd wordt door wilde dieren die ooit mensen waren. Wanneer Odysseus en zijn uitgeputte metgezellen tijdens hun lange zwerftocht op haar eiland aanlanden, lijkt Circe hen aanvankelijk gastvrij te ontvangen. Achter die gastvrijheid schuilt echter gevaar. Met behulp van haar kruidenkennis en toverkracht mengt zij een betoverende drank die de mannen van Odysseus verandert in varkens.
De mythe van Circe
Wanneer Odysseus verneemt wat er met zijn gezellen is gebeurd, trekt hij naar het huis van Circe om hen te bevrijden. Onderweg ontmoet hij de god Hermes, die hem een magisch kruid, moly, schenkt. Dankzij dit kruid blijft Odysseus ongevoelig voor Circes toverkunst. Wanneer haar spreuken geen vat op hem krijgen, beseft Circe dat zij tegenover een uitzonderlijke sterveling staat. In plaats van vijand worden zij bondgenoten. Zij herstelt de mannen in hun menselijke gedaante en ontvangt Odysseus en zijn bemanning met eer en gastvrijheid.
De reizigers blijven uiteindelijk een volledig jaar op het eiland. Die periode vormt een rustpunt in de lange en gevaarlijke tocht naar huis. Toch dreigt ook hier het gevaar van stilstand en vergetelheid. Pas wanneer Odysseus opnieuw verlangt naar zijn vaderland, helpt Circe hem verder. Zij is dan niet langer de verleidelijke tovenares, maar een wijze raadsvrouw. Zij legt hem uit hoe hij eerst moet afdalen naar de onderwereld om raad te vragen aan de ziener Tiresias. Daarna waarschuwt zij hem voor de gevaren die hem op zee te wachten staan: de betoverende zang van de Sirenen, de dodelijke doorgang tussen Scylla en Charybdis, en de noodzaak om de heilige runderen van haar vader Helios, de zonnegod, ongemoeid te laten.
Circe is daardoor een van de meest veelzijdige figuren in de Odyssee. Zij verschijnt eerst als een bedreiging die de mens van zijn waardigheid berooft door hem in een dier te veranderen, maar later als een wijze vrouw die de held voorbereidt op zijn verdere levensweg. Haar figuur verenigt verleiding en wijsheid, gevaar en bescherming, magie en inzicht. In veel latere interpretaties is zij uitgegroeid tot het archetype van de onafhankelijke vrouw met kennis van kruiden, geneeskracht en verborgen krachten van de natuur. In het verhaal van Odysseus is zij daarom niet alleen een hindernis op zijn reis, maar ook een noodzakelijke leermeesteres zonder wie hij zijn thuiskomst op Ithaka waarschijnlijk nooit zou hebben bereikt.
Carl Linnaeus
Dat mythologische spoor bleef ook latere generaties botanici fascineren. Toen de Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus de plant wetenschappelijk benoemde, koos hij bewust voor de geslachtsnaam Circaea, verwijzend naar de legendarische tovenares.
De soortnaam lutetiana betekent letterlijk “van Lutetia”, de Romeinse naam voor het huidige Parijs. De volledige naam kan dus worden gelezen als: “Circe’s plant uit de omgeving van Parijs.”
Groot heksenkruid in andere talen
In de Europese volkscultuur kreeg groot heksenkruid later verschillende namen die verwezen naar heksen, elfen en andere bovennatuurlijke wezens. In het Nederlands spreekt men van heksenkruid, in het Duits van Hexenkraut en in het Engels van enchanter’s nightshade (tovenaarsnachtschade). Die Engelse naam verwijst opnieuw naar Circe, de tovenares uit de Griekse mythologie die volgens de overlevering mannen in dieren kon veranderen met behulp van kruiden en magische dranken.
Voor een kruidenliefhebber is het bijzonder om te zien hoe de botanische naam een brug slaat tussen plantkunde en mythologie. Wanneer het groot heksenkruid in de schaduw van het Brugse begijnhof bloeit, lijkt het nog altijd een verre herinnering te bewaren aan Circe, wier naam al meer dan twee millennia door de Europese cultuurgeschiedenis blijft resoneren.
Het boek “Circe” van Madeline Miller
Het verhaal van Circe heeft schrijvers tot op vandaag geïnspireerd. Een van de meest geslaagde hedendaagse hervertellingen is de roman “Circe” van Madeline Miller.
Zij gaf dit klassieke mythologische verhaal een nieuwe, indringende stem. Haar roman is meeslepend, gedurfd en zintuiglijk geschreven. Vanaf de eerste bladzijde trekt het verhaal de lezer mee in een wereld van goden, magie en menselijke verlangens. Een pageturner die blijft nazinderen, nog lang nadat het boek is gesloten.
In de reeks “plantenverhalen” publiceren wij vandaag de legende die vertelt hoe de netel zijn brandharen kreeg. In de begintijd, toen de wereld nog jong was en alles in perfecte harmonie leek te groeien, wandelde Onze Lieve Heer door zijn schepping. Hij zag bomen die …
We genieten momenteel van de langste dagen van het jaar – en misschien ook wel van de warmste. De zomerzonnewende staat voor de deur, en overal laat de natuur zich van haar meest uitbundige kant zien. Bermen, kasseien, muren en plantsoenen kleuren en geuren van …
Dit mooie verhaal werd ons aangeleverd door Georg Ketting. Waarvoor dank!
Lang geleden leefde er in het Prinselijk Begijnhof van Brugge een jonge begijn. Alijt was haar naam. Ze was zacht van stem, maar zwaar van hart. ’s Nachts lag ze wakker, haar gedachten als vogels die nooit rust vonden.
Op een avond, toen de maan laag boven het Minnewater hing, verliet ze haar kamer en liep ze naar de rand van het hof. Daar stond de beuk, groter dan de rest, met een stam die glansde alsof hij licht in zich droeg.
Ze ging onder de boom zitten en sloot haar ogen. En toen gebeurde het. De wind viel weg. De bladeren bewogen niet. Maar toch hoorde ze een zacht geritsel, alsof de boom haar gedachten terug fluisterde, maar dan helderder, en lichter.
Vanaf die nacht keerde ze elke dag terug. En ze merkte dat de boom niet alleen luisterde, maar ook haar gedachten bewaarde.
De oudere begijnen zagen haar rust terugkeren en vroegen wat haar hielp. Alijt vertelde het hun, maar alleen in vertrouwen. Zo ontstond een ritueel dat nooit in boeken terechtkwam. Het werd “het dragen van de gedachten”genoemd.
Bij elke zonsondergang verlieten de begijnen in stilte het hof. Geen sleutels, geen kralen, geen metalen gespen. De beuk moest het eerste geluid zijn dat je hoorde.
Bij de boom gekomen legden ze hun rechterhand op de gladde stam. Niet om te bidden, maar om te luisteren. De beuk voelde koel, alsof hij het daglicht nog in zich droeg.
Wanneer een gedachte te zwaar werd, knepen ze zacht in de bast. Dat was het teken dat de gedachte mocht worden afgelegd. Niet vergeten, maar bewaard.
Op de terugweg mocht niemand omkijken. Wie omkeek, zo zei men, nam zijn last weer mee.
Pas bij de drempel van het Begijnhof ademde men diep in. Alsof de lucht zelf lichter was geworden.
De begijnen geloofden dat de beuk herinneringen kon dragen en bewaren om drie redenen:
Zijn stam is zo dun dat gedachten er gemakkelijk in doordringen.
Beuken wortelen breed en diep, vaak met elkaar verweven. Men zei dat ze zo een ondergronds geheugen vormden, een plek waar gedachten konden rusten.
Het licht dat door beukenbladeren valt is zacht en gefilterd. Niet verblindend, maar verhelderend. Wie onder een beuk zat, zag zijn gedachten scherper.
Toen Alijt oud werd, kwam ze nog één keer naar de beuk. Ze legde haar hand op de stam en fluisterde: “Bewaar wat ik niet kan dragen.”
De volgende ochtend vonden de begijnen haar, vredig gestorven in haar bed. En die nacht – zo gaat het verhaal – ritselde de beuk zonder wind alsof hij ook haar laatste gedachten in zich opnam.
Tot op de dag van vandaag zeggen sommige Bruggelingen, dat er bij het Begijnhof een beuk staat die meer weet dan hij laat zien.
Een boom die luistert. Een boom die bewaart. Een boom die gedachten helder maakt voor wie durft te gaan zitten en te zwijgen.
En wie heel stil is, hoort soms een ritseling die niet door de wind komt.
Lang geleden, in een tijd waarin de grens tussen de wereld der mensen en die van de magie dunner was, groeide er diep in Brugge een plant die men het “groot heksenkruid” noemde. Er werd verteld dat deze plant meer was dan een eenvoudige kruid; …
In de tijd dat Brugge nog haar adem inhield tussen de getijden, toen de zee bij stormweer haast tot aan de stadspoorten reikte en de mist als een levende sluier uit de polders kroop, sprak men fluisterend over Vrouwe Bryggia. Niemand wist of zij ooit …
Onlangs nam ik een groep enthousiaste Bruggelingen mee naar de oevers van het Minnewater. Ik wou er de legende van de wolfspoot aan het Minnewater vertellen – ik zal dat hier morgen ook eens doen. En eerlijk mensen… ik was beschaamd. Al dat onkruid!!!
Ik zag: geel nagelkruid, muursla, grote engelwortel, rode kornoelje, harig wilgenroosje, speerdistel, echte valeriaan, watermunt, moerasvergeet-mij-nietje, zwart tandzaad, grote waterzuring, kluwenzuring, moerasspirea, kattenstaart, smalle weegbree, bijenorchis (!), moerasandoorn, akkerdistel, gewone brunel, klein robertskruid, klein streepzaad, gewoon biggenkruid, grote weegbree, jakobskruiskruid, kluwenzuring, gewone raket, basterdwederik, hopklaver, kruipende boterbloem, grote ratelaar, voederwikke, ijle zegge, kleine klaver, margriet en … stel je voor… brandnetels. Wat een zootje!
Gelukkig had een stadsambtenaar – of was het de bevoegde schepen himself – op zijn bureau nog een exemplaar van de Brugse beleidsvisie liggen en, terwijl hij even koffiepauze nam, las hij op pagina 21: “”… Met deze maatregelen streven we naar een Brugge waar het openbaar domein een plek is van rust, groen en gemak, met ruimte voor duurzame ontwikkeling en respect voor de natuur.”
Brugge is tenminste een stad met een duidelijke visie: “Da moe ollemolle weg! Wa moet’n de toerist’n nie peiz’n! Brugge moe oltied schoane zien!”
En wie laat er nu in godsnaam een zeldzame, beschermde wilde orchidee zomaar staan? Iedereen zal hem willen plukken!
Dus werd de daad bij het woord gevoerd en de opdracht gegeven om al wat hoger dan 5 cm groeit met de bosmaaier te verwijderen. Opgeruimd staat netjes! Gelukkig is “Maai mei niet” achter de rug zeg! Er is echter één smetje op het mooie werk: de wolfspoot heeft men laten staan. Men dacht waarschijnlijk dat de wolf zou bijten.
De wolfspoot aan het Minnewater te Brugge
Morgen gaan we de legende van de wolfspoot eens uit de doeken doen – voor hij ook weg is!!!
In de reeks plantenverhalen vertellen we vandaag een waargebeurd verhaal: “Over het straatmadeliefje, een hongerige echtgenote en de 504 stappen naar de warme bakker.“ Deze ochtend stelde ik bij het opstaan vast dat de broodtrommel leeg was. Uit jarenlange ervaring weet ik wat dat betekent. …
De omslagfoto werd precies één week geleden genomen aan de boorden van het Minnewater. Deze hieronder …vandaag. Te verwaarlozen detail: Bijenorchis (Ophrys apifera) is in Vlaanderen wettelijk beschermd. Net als de andere inheemse wilde orchideeën valt zij onder de Vlaamse soortenbescherming. Dat betekent onder meer …
De zomermaanden staan helemaal in het teken van plantenverhalen. In onze volgende bijdragen vertellen we een aantal bekende of minder bekende verhalen waarin planten de hoofdrol spelen.
Starten doen we met de legende van wolfspoot aan het Minnewater te Brugge.
***
Men zegt dat er in de twaalfde eeuw – toen Brugge nog jong was, en haar wallen zich aarzelend rond het stad sloten – een groep vreemdelingen verbleef aan de oevers van het Minnewater. Op een dag waren ze daar en waar ze vandaan kwamen wist niemand.
In die dagen was het Minnewater een nevelige grens tussen stad en stilte. Mist hing er zwaar boven het water, en in het riet fluisterden soms vreemde stemmen. Daar, waar het land zompig werd onder de voeten, sloegen zwervers hun kamp op — mensen zonder naam, levend in karren waarover een zeil gespannen lag, die kwamen en gingen met de seizoenen.
Ze zochten geen contact met de bewoners, want ze geloofden dat wie te goed gekend werd, vroeg of laat verloren ging. Als men ze zag dan leek het of hun handen en gezicht een donkere kleur hadden.
Onder hen leefde een jongen, Iljo geheten, met ogen die scherp zagen en een geest die nooit rust kende. Hij stelde vragen waar anderen zwegen, en keek waar anderen niets zagen.
Op een avond, toen de klokken van de stad dof over het water rolden en de mist als een sluier neerdaalde, zag hij hoe de oudste vrouw van het gezelschap zich naar de oever begaf. Men noemde haar “Moer” — niet uit gewoonte, maar uit eerbied.
Aan de oever knielde zij neer en groef met haar handen in de zachte modder. Voorzichtig trok zij een plant los, alsof zij iets heiligs beroerde.
“Kom,” sprak zij zonder om te zien.
Iljo knielde naast haar. Moer brak een stukje van de wortelstok van de plant af en legde het in zijn hand.
“Wrijf!”zei ze.
Iljo deed wat hem gezegd werd. Eerst voelde hij niets anders dan vocht en vezel. Maar dan… langzaam… verscheen er een kleur, donker als stilstaand water zonder maanlicht.
Hij schrok.
“Wat is dat, Moer?” vroeg hij.
“Een gave van het water.” fluisterde zij. “Ouder dan Brugge, ouder dan de stenen van haar kerken.”
Zij nam zijn hand en smeerde het sap verder uit op zijn gelaat. Het werd zwart als inkt, als schaduw die zich vasthecht.
“Dit is wolfspoot,” zei ze. “Hij groeit tussen land en water, tussen gezien en ongezien. Hij deelt zijn geheim alleen met wie hem durft uit te graven.”
Iljo staarde naar zijn hand.
“Waarom gebruiken wij dit?”
Moer staarde over het water, waar de mist in dikke slierten overheen hing.
“Omdat we beter niet gezien worden.”zei ze zacht. “ Niet door de behoeders van de stad, en niet door haar inwoners.”
Die nacht, bij het flakkerend vuur, zag Iljo hoe de reizigers zich voorbereidden. Eén voor één namen zij wortels uit de aarde, kneusden die, en brachten het donkere sap aan op hun huid tot hun handen en gezichten een donkere schijn droegen. Niet volledig — maar genoeg. Trekken vervaagden, blikken werden anders. Bekenden werden vreemden.
“Is het toverij?” vroeg Iljo.
Moer glimlachte zwak.
“Neen, maar wie zich niet geheel blootgeeft … blijft vrij.”
Er gingen verhalen rond in die dagen. Dat de kinderen van de vreemdelingen konden verdwijnen tussen de mensen op de markt. Dat wachters hen niet opmerkten, zelfs wanneer zij recht voor hen stonden. En dat er vreemde dingen gebeurden op het marktplein.
Hoe het kwam kon niemand zeggen, maar de volgende dag, bij het eerste licht van de dageraad, toen de mist optrok en de torens van Brugge weer zichtbaar werden, was het kamp verdwenen. Geen spoor, geen vuur, geen stem.
Alleen Iljo bleef nog even achter aan de oever van het Minnewater. Hij keek naar zijn handen. De zwarte kleur zat er nog steeds. En daar, tussen het water en de stad, begreep hij wat Moer hem had willen leren: dat je niet altijd hoeft te tonen wie je werkelijk bent.
Soms is het genoeg om – zoals wolfspoot – te leven op de grens: stil, standvastig, en je geheimen alleen toe te vertrouwen aan wie werkelijk ziet.
Onlangs mocht ik – op uitdrukkelijke vraag van de bewoonsters zelf – een plantenwandeling begeleiden in en rond het Brugse begijnhof. Het doel was eenvoudig, althans op papier: in anderhalf uur tijd kennis maken met een reeks planten die daar al jaren rustig hun eigen …
Wie aan de waterkant wandelt ziet meer dan waarschijnlijk – ook in de stad – de wolfspoot groeien. In Brugge vond ik ‘m al aan de boorden van het Minnewater, langs de oude vestingwallen, zelfs op een kademuurtje aan de Reie. Habitat De wolfspoot is …
Collega Nic Carsauw (zie verder) ging in Oostende op zoek naar wilde stadsplanten en trof daar, enigszins tot zijn verrassing, het kamilleknopje aan. De vondst benadrukt hoe deze soort zich stilaan een plaats verovert in het stedelijk milieu, vaak op onverwachte en makkelijk over het hoofd geziene plekken. Een aantal foto’s in dit artikel zijn eveneens door Nic gemaakt en geven een mooi beeld van de plant in haar typische groeiplaats.
In België is deze soort nog zeer zeldzaam en voorlopig niet ingeburgerd. In Brugge heb ik deze exoot alvast nog niet aangetroffen. In Gent, Antwerpen, Brussel en vooral in enkele kuststeden werd hij echter al wél gevonden. Misschien duikt hij binnenkort ook op in het “Venetië van het Noorden”. Ik zal er in elk geval voortaan extra aandacht voor hebben.
Door zijn bescheiden formaat wordt deze soort mogelijks vaak over het hoofd gezien, hoewel ze botanisch en ecologisch bijzonder interessant is. In een jong stadium kan ze gemakkelijk verward worden met andere laagblijvende planten met fijn ingesneden bladeren, zoals de kleine varkenskers (Coronopus didymus). Die laatste behoort echter tot een geheel andere plantenfamilie.
Het kamilleknopje is een bijzonder klein maar opmerkelijk plantje dat de laatste jaren snel terrein wint in West-Europa. Het is een exoot, want zijn oorsprong ligt in het zuidelijk halfrond. Dat blijkt voor een deel al uit zijn geslachtsnaam: australis.
Het kamilleknopje behoort tot de Asteraceae, in het Nederlands meestal de composietenfamilie genoemd. De geslachtsnaam Cotula is afgeleid van een Latijns woord dat “klein kommetje” of “napje” betekent, een verwijzing naar de vorm van de bloemhoofdjes. De soortnaam australis betekent letterlijk ‘zuidelijk’ en komt van het Latijnse Auster, wat wijst op de oorsprong van de plant op het zuidelijk halfrond.
Van daaruit verspreidde de soort zich vrijwel wereldwijd via menselijke activiteit. Tegenwoordig wordt ze beschouwd als een typische stadsplant: een soort die meelift met verkeer, toerisme en handel in planten.
In het Engels is de soort bekend onder verschillende namen, zoals bachelor’s button, annual buttonweed, Australian brassbuttons, southern waterbutton en Australian waterbutton, waarbij vooral de laatste benamingen haar herkomst uit Australië benadrukken.
Hoe verspreidt de plant zich?
De vruchtjes zijn zeer klein en licht. Ze kunnen zich verspreiden:
via schoenen en autobanden;
via caravans, tenten en campingmateriaal;
met potgrond en sierplanten;
door water en wind.
Men vermoedt dat campings een belangrijke rol spelen in de huidige verspreiding in België en Nederland.
Kamilleknopje komt vooral voor op open, vaak betreden bodems zoals voegen tussen straatstenen, campinggazons en parkeerplaatsen. Ook in stenige stadsbiotopen duikt de soort op. Daarnaast voelt ze zich thuis op droge, stikstofrijke plaatsen. Door deze voorkeur voor sterk verstoorde milieus profiteert ze duidelijk van stedelijke warmte-eilanden en van de steeds zachtere winters. Hierdoor lijkt het verspreidingsgebied van de soort zich geleidelijk verder noordwaarts uit te breiden.
Bloemen en bestuiving
De bloemhoofdjes zijn zeer klein en missen de witte lintbloemen die men bij echte kamilles verwacht. Daardoor lijken ze op kleine groengele knopjes of miniatuurknopjes — vandaar de Nederlandse naam.
Hoewel de bloei weinig opvallend is, worden de bloemen bezocht door kleine insecten. De plant produceert bovendien overvloedig zaad, wat haar snelle verspreiding verklaart.
Geur
Wanneer het blad wordt gekneusd, komt er een opvallende, aromatische geur vrij met een kruidig karakter, die soms doet denken aan kamille of aan een lichte harsgeur. De intensiteit kan variëren, maar kan bij warm weer of wanneer meerdere planten samengroeien vrij uitgesproken zijn. Deze geur helpt om de soort in het veld te herkennen en vormt zo een subtiel maar waardevol kenmerk bij de determinatie.
Ecologische bijzonderheid
Kamilleknopje behoort tot de typische “urban weeds”: kleine pionierplanten die zich bijzonder goed hebben aangepast aan menselijke verstoring. Net zoals sommige muurvarens of straatgrassen weet deze soort zelfs de kleinste open plekjes te benutten, waar de bodem open, betreden of verstoord is. Juist die veerkracht maakt het kamilleknopje tot een mooi voorbeeld van moderne stadsflora, waarin planten zich voortdurend aanpassen aan het ritme en de druk van menselijke activiteiten.
kleine groenige bloemknopjes zonder witte straalbloemen;
groeit vaak tussen stenen of in kort gras;
bloeiwijzen eerst knikkend, later rechtopstaand.
Zeldzaam of niet?
Rond 1900 werd de plant voor het eerst in België (Vesdervallei) ontdekt als woladventief. De zaden reisden toen waarschijnlijk mee in de plukken wol die massaal uit Australië werden geïmporteerd. Tegenwoordig lift de plant vooral mee als onkruid in de potgrond van geïmporteerde mediterrane planten uit Zuid-Europa, zoals olijfbomen.
In Vlaanderen blijft kamilleknopje officieel nog vrij zeldzaam, maar het aantal waarnemingen stijgt opvallend snel sinds ongeveer 2010. Vooral aan de kust en op campings wordt de soort tegenwoordig steeds vaker gevonden.
Wie is Nic Carsauw?
Nic Carsauw is een natuurfotograaf en beheerder van de website Wilde natuur in Mechelen. Hij woont in Mechelen en legt zich toe op het in beeld brengen van de spontane, wilde natuur in en rond de stad. Daarbij richt hij zich vooral op planten en dieren die zich staande houden in sterk door mensen beïnvloede omgevingen, zoals straten, voetpaden, industrieterreinen en rivieroevers.
Zijn werk vertrekt vanuit een grote aandacht voor de vaak onopvallende stadsnatuur, met de bedoeling om die beter zichtbaar en gewaardeerd te maken. Op zijn website publiceert hij foto’s en artikels over deze stedelijke biodiversiteit en draagt hij bij aan een bredere kennis van de wilde flora in het Mechelse gebied.