De Smalle weegbree is een zeer algemene en herkenbare soort van onze streken. Hij komt voor in graslanden, bermen, dijken, akkers, paden en zelfs in kieren tussen bestrating. Vooral op open, betreden of verstoorde bodems voelt hij zich goed thuis. Dat verband met wegen zit ook in …
De zachte ooievaarsbek (Geranium molle) is een charmante, bescheiden plant die tot de – wat dacht je – ooievaarsbekfamilie behoort, of in wetenschappelijke termen: de Geraniaceae. Kenmerkend voor deze familie zijn de vruchtjes met een opvallend lange, snavelvormige uitgroei. Ze doen denken aan de snavel van een ooievaar, wat meteen …
Melkdistels zijn echte ruigteplanten, maar ook in de stad komen ze vaak voor. Niet alleen in plantsoenen en wegbermen, maar ook gewoon op de stoep tegenaan een huisgevel
In Vlaanderen komen eigenlijk maar twee soorten melkdistels voor uit het geslacht Sonchus — het geslacht dat in het Nederlands werkelijk “melkdistels” heet:
Gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
Gekroesde melkdistel (Sonchus asper)
Beide behoren tot het geslacht Sonchus, dat typisch is voor de echte melkdistels met geel bloeiende hoofdjes en wit melksap.
Soms ontstaat er verwarring doordat de mariadistel (Silybum marianum) in de volksmond ook soms “melkdistel” genoemd wordt, maar botanisch behoort die tot een heel ander geslacht.
De gewone melkdistel en de gekroesde melkdistel lijken op het eerste gezicht sterk op elkaar. Ze behoren tot hetzelfde geslacht en bloeien allebei met gele, paardenbloemachtige bloemen en bevatten wit melksap. Toch zijn ze in het veld vrij goed van elkaar te onderscheiden wanneer je op een paar duidelijke kenmerken let.
Bladeren
De Gewone melkdistel is doorgaans wat zachter van bouw. De bladeren voelen minder stug aan en hebben meestal afgeronde of zacht getande randen. Aan de basis van het blad zitten de zogenaamde “oortjes” die de stengel omarmen, maar die zijn vrij rond en niet stekelig. De plant oogt daardoor wat losser en minder streng. Ze groeit vaak op verstoorde bodems, moestuinen en akkers, en past zich gemakkelijk aan haar omgeving aan.
Gewone melkdistel (Sonchus oleraceus)
De Gekroesde melkdistel daarentegen heeft een duidelijk steviger en stekeliger karakter. De bladeren zijn harder, glanzender en opvallend scherp getand. De rand van het blad voelt bijna snijdend aan. Ook de “oortjes” rond de stengel zijn hier puntig en scherp, waardoor de stengel als het ware stevig wordt vastgegrepen. Dit geeft de plant een wat stugge, beschermde uitstraling. Ze is vaak te vinden op iets drogere, meer verdichte of verstoorde bodems, zoals wegenranden en braakliggende terreinen.
Gekroesde melkdistel (Sonchus asper)
Samengevat kun je het verschil in het veld meestal eenvoudig onthouden: de gewone melkdistel is zachter en vriendelijker van vorm, terwijl de gekroesde melkdistel duidelijk steviger en stekeliger is opgebouwd.
Bloemen
Zowel de Gewone melkdistel als de Gekroesde melkdistel dragen dezelfde typische “paardenbloemachtige” bloemhoofdjes: helder geel, samengesteld uit vele lintbloempjes, en ze bloeien allebei vrij lang van late lente tot in de herfst. Op het eerste gezicht lijken de bloemen dus bijna identiek.
Toch zijn er enkele kleine, maar bruikbare verschillen:
Grootte van de bloemhoofdjes De gewone melkdistel heeft meestal iets grotere en iets lossere bloemhoofdjes. Bij de gekroesde melkdistel zijn ze vaak iets compacter en strakker opgebouwd.
Aantal bloemhoofdjes per stengel De gewone melkdistel vertakt vaak rijker en draagt daardoor meer, verspreide bloemhoofdjes. De gekroesde melkdistel is meestal iets minder vertakt, waardoor de bloemen wat meer gegroepeerd lijken.
Conclusie
Belangrijk om te onthouden: de bloemen alleen zijn geen betrouwbare onderscheidende factor. In de praktijk blijft het blad—vooral de vorm van de bladoortjes en de stekeligheid—veruit het beste kenmerk om beide soorten zeker te herkennen.
In 1967 klonk het al zo treffend bij The Beatles: “With a Little Help from My Friends”. Het nummer verscheen op het legendarische album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (juni 1967), gezongen door Ringo Starr, en groeide uit tot een van de meest herkenbare albumtracks van de jaren …
Kleinbloemige amsinckia (Amsinckia micrantha) De kleinbloemige amsinckia is in Vlaanderen een exoot en wordt beschouwd als een neofyt: een plantensoort die via menselijke activiteit in onze streken is terechtgekomen, vermoedelijk samen met zaaizaad of graanimport. De plant is oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Amerika, is in Vlaanderen zeldzaam tot schaars …
De grote brandnetel (Urtica dioica) is tweehuizig. Dat betekent dat er afzonderlijke mannelijke en vrouwelijke planten bestaan. Een plant draagt dus óf alleen mannelijke bloemen, óf alleen vrouwelijke bloemen. Later zullen we het daar nog uitgebreider over hebben.
De bestuiving gebeurt door de wind. Daarom moeten de bloemen van beide planten goed aangepast zijn: de mannelijke bloemen om pollen vrij te laten, de vrouwelijke om dat pollen uit de lucht op te vangen.
De mannelijke brandnetel
De mannelijke plant herken je aan haar vrij compacte, eerder opstaande bloeiwijzen. De trosjes ogen vaak wat steviger en dichter bijeen.
De bloemen bevatten meeldraden die grote hoeveelheden pollen produceren. Wanneer de bloemen rijp zijn, springen de meeldraden plots naar buiten en komt een wolkje stuifmeel vrij dat door de wind wordt meegevoerd.
Kenmerken
Bloeiwijzen vaak meer rechtopstaand
Bloemen eerder compact en dicht bijeen
Produceert pollen
Geen zaadvorming
Grote brandnetel met mannelijke bloemen
Detail mannelijke bloeiwijze
De vrouwelijke brandnetel
De vrouwelijke plant ziet er anders uit. De bloeiwijzen hangen meestal losser en meer neerwaarts langs de stengel.
Het opvallendste kenmerk zijn de witte stempeltjes die uit de kleine bloempjes steken. Die fijne draadjes staan als kleine waaiertjes open om pollen uit de lucht op te vangen. Zodra een stuifmeelkorrel blijft kleven, kan bevruchting plaatsvinden.
Na de bestuiving ontwikkelen zich kleine zaadjes.
Kenmerken
Bloeiwijzen meestal losser en meer hangend
Duidelijk zichtbare witte stempeltjes
Stempeltjes werken als kleine vangnetjes voor pollen
Vormt later zaadjes
Wie eenmaal op die witte waaiervormige stempeltjes let, kan vrouwelijke brandnetels in de zomer haast onmiddellijk herkennen.
Grote brandnetel met vrouwelijke bloemen
vrouwelijke bloei
Wildpluk
Wildplukkers geven vaak de voorkeur aan de vrouwelijke planten van de grote brandnetel (Urtica dioica), en dat heeft een aantal heel praktische redenen.
Na de bloei ontwikkelen deze planten kleine zaadjes. Die zaden worden al eeuwenlang gewaardeerd omdat ze bijzonder voedzaam zijn: ze bevatten mineralen, eiwitten en waardevolle vetzuren. In de traditionele kruidenleer golden ze als een versterkend natuurproduct, dat men bijvoorbeeld door voeding mengde of eenvoudig droog bewaarde voor later gebruik.
Ook tijdens de bloeiperiode zelf zijn vrouwelijke planten aangenamer om te verzamelen. Ze produceren geen wolken stuifmeel zoals de mannelijke planten dat doen, waardoor er minder kans is op irritatie bij het oogsten. Bovendien voelen hun bloemtrossen vaak wat voller en zachter aan, wat ze geschikt maakt voor droging of verdere verwerking in kruidentoepassingen.
Traditioneel gebruik van brandnetelzaad en oogsttips
In de volkskruidenkunde worden brandnetelzaden al eeuwenlang gewaardeerd als een krachtig en voedzaam natuurproduct. Ze werden vroeger op verschillende manieren gebruikt: door ze door pap of brood te mengen, als versterkend middel of eenvoudigweg als strooisel over de dagelijkse maaltijd.
Wie brandnetelzaad wil verzamelen, doet dat best met zorg en respect voor de omgeving. Kies altijd een schone plek, ver weg van verkeer of bespoten bermen. Draag handschoenen om de huid te beschermen en pluk nooit alles weg. Laat altijd voldoende staan, zodat insecten, vogels en de plant zelf zich verder kunnen ontwikkelen.
In de meimaand In de meimaand, in de meimaand, Als de vogeltjes zo zingen, Als de bloemen in de weide Uit hun groene knopjes springen.
Kastanjebomen staan, Een hele lange laan, Met kaarsjes spits en fijn, Te pronk in zonneschijn.
In de meimaand, in de meimaand, Komt de zon met gouden stralen, Om de koude van de winter Uit de harten weg te halen.
Kastanjebomen staan, Een hele lange laan, Met kaarsjes spits en fijn, Te pronk in zonneschijn.
Elk jaar, wanneer de paardenkastanje in bloei staat, denk ik terug aan het versje “In de meimaand”. Als kind zong ik het op school, en later — toen ik zelf voor de klas stond — gaf ik het door aan mijn leerlingen. Zo leeft het verder, van stem tot stem, zoals dat vroeger altijd ging.
Het rijmpje werd geschreven door Hendrika van Tussenbroek (1854–1935). Ze was een zeer invloedrijke Nederlandse componiste, tekstdichteres en muziekpedagoge. Ze was een van de weinige vrouwen in die tijd die een succesvolle carrière als professioneel musicus en componist wist op te bouwen. Haar liedjes waren zo populair dat ze tot ver in de jaren ’60 van de vorige eeuw standaardonderdeel waren van het Nederlandstalige basisonderwijs. Dit versje verscheen oorspronkelijk in de bundel Meiliedjes (gepubliceerd rond 1900).
In de meimaand… een oud verhaal
Heel lang geleden, toen de mensen nog luisterden naar wat de wind hen toefluisterde, lag er aan de rand van een dorp een bijzondere laan. Een lange rij oude kastanjebomen wees er de weg naar de velden. Niemand wist nog wie ze had geplant. Sommigen fluisterden dat een zwervende monnik ze had neergezet. Anderen geloofden dat de bomen zelf ooit hun plaats hadden gekozen, alsof ze daar moesten staan.
In de winter leken het donkere wachters, met knoestige armen tegen een bleke hemel. Maar diep in hun kleverige knoppen droegen ze een geheim, dat ze geduldig bewaarden. Terwijl andere bomen zich al vroeg tooiden met fris groen, wachtten de kastanjes. Ze wachtten tot de lucht zacht werd, tot de geur van regen en jong gras precies goed was.
En dan, op een ochtend in mei, gebeurde het. De knoppen sprongen open. Niet aarzelend, maar alsof ze samen een besluit hadden genomen. Uit elke tak verrezen witte bloemtrossen, rank en rechtopstaand, als kaarsen die naar het licht reikten. Het was alsof de hele laan tegelijk ontwaakte. “De bomen hebben hun kaarsjes aangestoken,” zeiden de dorpsmensen. Maar niemandwist nog waarom dat juist op die dag gebeurde.
Volgens de oudste verhalen begon het met één kind. Lang geleden was er een jongen die op een vroege mei morgen alleen de laan inliep. Hij voelde zich vreemd stil vanbinnen, alsof hij ergens op wachtte zonder te weten waarop. Toen hij onder de bloeiende bomen stond, begon hij zachtjes te zingen — het lied dat hij van zijn moeder had geleerd.
“In de meimaand, in de meimaand…” Zijn stem was klein in de grote laan, en even leek het alsof er niets gebeurde. Maar toen ritselden de bladeren. Heel zacht eerst. Alsof de bomen naar het lied luisterden.
De jongen aarzelde. Hij wilde stoppen — maar iets hield hem tegen. Hij zong verder, iets luider nu. En toen gebeurde het! De bloesems leken helderder te worden, de geur werd voller en zoeter, en de takken bogen een weinig naar beneden, alsof ze dichterbij wilden komen. Niet dreigend, maar warm — als een gebaar van herkenning.
De jongen liep die dag terug naar het dorp met een glans in zijn ogen. Hij vertelde wat er gebeurd was, maar de mensen lachten eerst. Tot de volgende ochtend andere kinderen ook naar de laan trokken… en hetzelfde meemaakten.
Sindsdien is het een gewoonte geworden, al weet niemand meer precies wanneer ze begonnen is. Elk jaar, in de meimaand, worden kinderen als vanzelf naar de kastanjelaan getrokken. Niet geroepen, niet gestuurd — maar geleid door iets wat ouder is dan woorden.
Wanneer hun voeten het zandpad raken, worden ze stil. Alsof ze een groene kathedraal betreden. Het licht speelt tussen de bladeren, en de witte bloesems branden zachtjes als kaarsen in de ochtendzon.
Dan klinkt er, aarzelend eerst, weer dat oude lied. En altijd — wie goed luistert, weet het zeker — antwoorden de bomen. Hun bladeren fluisteren mee, hun kruinen bewegen langzaam, en hun bloeiende takken buigen zich licht naar beneden, alsof ze de kinderen willen omarmen.
De oude mensen in het dorp vertellen het nog steeds: dat de kastanjebomen in mei niet zomaar bloeien. Ze wachten. Op stemmen. Op verwondering. Op het lied.
En wie in de meimaand door zo’n laan wandelt, moet maar eens stilhouden en luisteren. Misschien hoor je nog het verre zingen van lang geleden.
En als je dan opkijkt naar de witte bloesems, begrijp je het vanzelf: de bomen hebben hun kaarsjes niet alleen voor zichzelf aangestoken, maar voor iedereen die nog kan kijken met een open hart.
Raapzaad en herik lijken op het eerste gezicht sterk op elkaar, omdat ze allebei gele kruisbloemige akkerplanten zijn uit de koolfamilie (Brassicaceae). Toch zijn er enkele duidelijke botanische verschillen die je in het veld vrij snel kunt leren herkennen. 1. Stengel en beharing 2. Bladvorm 3. …
Half april in Damme: een tijd waarin de oude stenen opnieuw tot leven lijken te komen. Aan de muren van de Damme en rond de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk kleurt het eeuwenoude metselwerk opnieuw warm goudgeel door de bloei van de muurbloem (Erysimum cheiri).
Deze muurbewoner is een ware erfgenaam van het verleden. Ze vindt al generaties lang haar plaats in de kleinste spleten van torens en kerkhoven, alsof ze er altijd al hoorde te staan. Op de kerktoren in Damme houdt ze zich stevig vast tussen de verweerde stenen, waar wind en tijd vrij spel hebben gehad, maar waar de natuur telkens weer zacht terugkeert.
De muurbloem staat bekend om haar vroege bloei en haar warme, honingachtige geur die in de lente de eerste insecten aantrekt. Zo vormt ze een subtiele maar belangrijke schakel in het ontluikende leven rond de kerk. Haar aanwezigheid op zo’n historische plek is geen toeval: ze is een klassieke ‘muurplant’, die zich met geduld en volharding vestigt waar steen en kalk haar kansen bieden.
Wie vandaag door Damme wandelt, ziet dus niet alleen erfgoed van steen en geschiedenis, maar ook een levende laag natuur die elk jaar opnieuw het verhaal verder schrijft. De nieuwe foto’s van 23 april 2026 tonen die wisselwerking prachtig: oud en nieuw, steen en bloei, stilstand en vernieuwing in één beeld gevangen.
Muurbloem op de ruïnes van de oude kerk te Damme.
Muurbloem
Muurbloem
Over de muurbloem schreven we reeds eerder een artikel in deze website. Zie link hieronder
Wie midden april langs de Damse Vaart fietst, of een oude spoorwegbedding volgt, kan er haast niet naast kijken: overal lichten gele bloemen op, als kleine zonnetjes die het landschap doen gloeien. Het is een vertrouwd, maar tegelijk intrigerend schouwspel. Want wat staat daar nu …
Sommige planten lijken haast niet van deze wereld. Ze groeien op plekken waar je niets verwacht: tegen verweerde gevels, op oude bruggen, tussen de voegen van een kademuur. Eén van de meest gracieuze onder hen is zonder twijfel muursla (Mycelis muralis). Met haar ranke gestalte, ijle vertakkingen …
Vandaag had ik afgesproken met natuurfotograaf Nic Carsauw(1) uit Mechelen, altijd een garantie voor boeiende gesprekken en een scherpe blik op alles wat groeit en bloeit.
We begonnen met een gezellige lunch in restaurantRécolte (2) in Brugge, waar de smaken puur en eerlijk zijn en perfect aansluiten bij een dag in het teken van de natuur. Met nieuwe energie trokken we daarna richting de Assebroekse Meersen (3).
Wat een geluk hadden we met het weer: ondanks de sombere voorspellingen bleef de regen uit en kregen we zelfs nu en dan een zacht, diffuus licht — ideaal voor fotografie én om de fijne nuances in het landschap te ontdekken.
Tijdens onze wandeling ontvouwde zich een levend schilderij: uitgestrekte weiden en hooilanden, glinsterende waterpartijen en rijen knotwilgen die als oude wachters het landschap bewaken. Hier en daar kleurden pinksterbloemen de natte graslanden, en in de verte hoorden we het geroep van watervogels. De rietzanger vergastte ons ook op een concertje. Het gebied ademt nog die oude, rustige sfeer van het Vlaamse platteland, waar natuur en traditie hand in hand gaan.
Samen speurden we aandachtig naar details, en tot onze vreugde konden we opnieuw enkele plantensoorten ontdekken die voor ons beiden nieuw waren of die we nog niet eerder hadden gespot. Zulke momenten — het onverwachte vinden, het samen verwonderd zijn — maken een wandeling des te rijker.
Het was een dag vol eenvoud en schoonheid, waarin alles op zijn plaats viel: goed gezelschap, een mild landschap en de stille rijkdom van de natuur.
Nic Carsauw
Nic Carsauw is een bijzonder gedreven natuurfotograaf, iemand voor wie werkelijk geen enkel detail aan de aandacht ontsnapt. Met een bijna vanzelfsprekende scherpte van blik ziet hij wat voor anderen vaak verborgen blijft: een fijn nervenpatroon in een blad, het spel van licht in het water, of een onooglijk plantje dat zich bescheiden tussen het gras verschuilt.
Wat hem zo bijzonder maakt, is niet alleen zijn technische kunnen, maar vooral zijn geduld en zijn eerbied voor de natuur. Hij neemt de tijd — kijkt, wacht, observeert — tot het juiste moment zich aandient. In die houding herken je nog iets van de oude natuurvorsers: aandachtig, bescheiden, en met een diep respect voor wat groeit en leeft.
Tijdens onze tocht door de Assebroekse Meersen werd dat nog maar eens duidelijk. Terwijl we samen op pad waren, vertraagde vanzelf het tempo. We keken aandachtiger, zagen meer, en ontdekten dingen die je anders zo voorbij zou lopen. Het landschap kreeg als het ware extra diepte door zijn manier van kijken.
Het was inspirerend om dat van dichtbij mee te maken. Zulke ontmoetingen verrijken niet alleen de dag zelf, maar laten ook nadien hun sporen na: je kijkt anders, bewuster, en met hernieuwde verwondering naar de natuur om je heen.
’t Leenhof
Na een mooie wandeling van zo’n anderhalf uur sloten we af met een welverdiend drankje in ’t Leenhof (4), een plek waar de tijd nog een beetje trager lijkt te gaan en waar je in alle rust kan nagenieten van wat de natuur je heeft geschonken.
Daarna trokken we weer richting Brugge, maar de dag was nog niet helemaal ten einde. Nic kwam nog even mee tot bij ons thuis, waar we verder genoten van een warme en geanimeerde babbel. Het zijn net die momenten van gedeelde verhalen en herinneringen die een ontmoeting extra betekenis geven.
Fotogalerij
Kleine zandkoolKruisbladige wolfsmelk Look-zonder-lookMoeraszeggeMuehlenbeckia complexaRouwvliegspeerdistel en venkelVogelmelk spec.waterviolierwaterviolierzandraketNic Carsauw